is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RADICALE CONCENTRATIE—BABAH AWÉ, DJINAMPRÖNG EN NÖ.

203

„bestaat uit de politieke partijen Boedi Oetomo, „N. I. P. (Sarèkat Hindia), Sarikat Islam, S. „Ambon, S. Minahassa, Pasoendan, Partij Kom„munist India (P. K. I.) en andere; ook de Vakcentrale „Persatoean Vakbonden Hindia" (d. i. „centrale van V. S. T. P., P. P. P. B., P. G. B., „Politiebond, O. I. B. A-, Kweekschoolbond „V. I. P. B. O. W., O. R. B., Kleermakersbond, „Typografenbond, Havenarbeidersbond, enz.)."

De leider der P. K. I. de heer Semaoen, die van de aansluiting bij de Radicale Concentratie uiteraard gebruik maakte om propaganda te voeren voor de beginselen der communistische partij, verklaarde in een op 14 Januari 1923 verspreide brochure, welke om haren communistischen opzet de goedkeuring van het Hoofdcomité niet kon verwerven, het standpunt van de P. K. I. tegenover de Radicale Concentratie aan „het Indische volk." Waar zijns inziens de politieke toestand van een volk in hooge mate door den economischen toestand wordt beheerscht, gaf hij in het geschrift eerst een verklaring van „de reactie in de economie" en een beschrijving van den groei en de overheersching van het Europeesch kapitalisme. Ook „de reactie in de politiek" werd door hem voorgesteld als het werk der kapitalisten, die weigeren een behoorlijk bedrag aan belasting te betalen en zich gereedmaken voor den oorlog. De Indische volksbeweging wordt dan ook door hen vertrapt. Daarom moest worden gestreefd naar verkrijging van Indië's vrijheid voor zelfbestuur en autonomie. De Radicale Concentratie nu — aldus de brochure — wil eenheid van beweging voor een gemeenschappelijk doel. Met een oproep om de gelederen der' P. K. I. te versterken besluit de uitvoerige uiteenzetting van het standpunt der communisten ten opzichte van de concentratie. (Zie Overzicht van de Inlandsche en Maleisch-Chineesche Pers, 1923 no. 5).

De leiding van deze combinatie kwam spoedig meer en meer in handen der N. I. P. -mannen, die in de centrale instelling een middel zagen om hun in nationalistische zoowel als in communistische richting afbrokkelend partijverband te versterken. Nadat op enkele tevoren gehouden leidersvergaderingen, waarop noch S. I. noch B. O. was vertegenwoordigd, tevergeefs door de N. I. P. een pleidooi was gehouden voor „noncooperation", werd op 18 Maart 1923 in het Gambir-park te Welteveden weer een meeting van de Radicale Concentratie gehouden, onder leiding van het Volksraadslid den N. I. P.-er Dahler, in welke bijeenkomst o. m. ter sprake werden gebracht: de bezuinigingsmaatregelen der Regeering, de sociale wetgeving, de poenale sanctie, alsmede de komst van Prof. Treub in Indië, welke „den arbeiders de oogen deed openen voor de macht der kapitalisten". Ook in de daarna gehouden leidersbijeenkomsten scheen de leiding in handen te berusten van de N. I. P., de partij van het Indisch compromis tusschen socialisme en communisme met hunne voor de nationale opleving schadelijke en zelfs door sociaal-democratische partijpolitiek niet te verzoenen tegenstellingen.

Nauwelijks een half jaar na hare wedergeboorte is ook deze, zonder innerlijken samenhang in het begin der „autonomie"-gisting voortgekomen combinatie in Juni 1923 wegens principieele partijgeschillen even „ongemerkt versoheiden" als hare voorgangster.

Het karakter van deze hernieuwde poging tot samentrekking van de hoofdleiding der vertakkingen van de Indische beweging, zoomede hare beteekenis voor de evolutie in da Inlandsche samenleving, hebben de noodige belangstelling zoowel in als buiten den Volksraad getrokken. Ondanks de bedoeling van de promotors der Concentratie om krachtige actie te voeren slechts tot „gezamenlijk verweer" tegen „het scherp aaneengesloten behoud" (J. E. S. in Het Volk van 19 Pebr. 1923, 3e blad), om politieken druk uit te oefenen steeds „binnen de grenzen van de wet" (N. Rott. Courant 30 Mei 1923, avondblad D), is van de felle propaganda der Radicale Concentratie inderdaad misbruik gemaakt voor extremistisch en revolutionnair drijven; „ongeacht het feit, dat deze alliantie in haar opzet geweld en rassenhaat wil verwerpen" (De Telegraaf 22 Febr. 1923, avondblad, 2e blad; vgl. De Maasbode, 4 Febr. 1923, ochtenblad, 23 blad); ongeacht ook de verklaring: „deze volksactie beoogt niets tegen de regeering, wil geen ordeverstoring of geweld." (Het Indische Volk 3 Januari 1923).

J. Th. P. B.

INLANDSCHE BEWEGING. Zie BOEDI OETOMO en SARÈKAT ISLAM.

BABAH AWÉ, DJINAMPRÖNG EN NÓ. Vroeger zelfstandige landschappen in de onderafdeeling Tjalang; werden wegens hunne onbeduidendheid toegevoegd aan het landschap Lhó Kroeët. Aantal geregistreerde mannen: Babah Awé en Djinampröng 17, Nö 24. De onderhoorigheid Babah Awé, waartoe ook behoort het boschrijke, doch onbevolkte Djinampröng, maakte vroeger deel uit van het uitgestrekte rijk Daja en behoorde aan Teukoe Poetèh Salam, iemand uit Daja; het was toen echter nog onbewoond. De eerste bewoners, die er zich ongeveer in het midden der vorige eeuw vestigden, waren lieden uit Pidië, die onder aanvoering van Teukoe Lam Baët derwaarts kwamen en er peperaanplantingen aanlegden en van de aldaar door de natuur gevormde baai gebruik maakten voor de verscheping van hun product. T. Keutjhi Lam Baët wist zich van T. Poetèh Salam onafhankelijk te maken en werd hoofd van het ontstane landschap. Na zijn dood werd hij opgevolgd door T. Keutjhi Nja Gam (zijn zoon), die echter voor het uitbreken van den Atjèh oorlog overleed. Deze werd op zijn beurt weer opgevolgd door zijn zoon T. Radja Leman, die in 1878 voor het eerst met het NederlandschIndische Gouvernement in aanraking kwam. Hij teekende 21 October 1899 de korte verklaring. Het landschap telde toen ongeveer 100 strijdbare mannen. T. Radja Leman overleed in het jaar 1903 en werd opgevolgd door zijn toen nog minderjarigen zoon Nja Ali (de tegenwoordige Imeum van Bahah Awé) onder voogdij van Nja Ali van Oedjoeng Moelöh. Sedert 3 April 1911 voert Teukoe Ali zelf het bestuur over Babah Awé en den 12 Juni 1911 teekende hij de verklaring der inlijving van zijn landschap bij Lhó Kroeët.

Djinampröng werd gelijktijdig met Babah Awé ontgonnen, is thans echter weer geheel bosch geworden en is onbewoond.

Op den Blang Paroe heeft de bevolking goede bevloeibare rijstvelden aangelegd.

De onderhoorigheid Nö was in het begin der vorige eeuw nog onbewoond en werd gerekend tot Daja te behooren. Een ingezetene der gam-