is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

VAN HEUTSZ, JOANNES BENEDICTUS.

inzichten en omtrent het optreden onzer troepen van meening yersehillende, verzocht en verkreeg van Heutsz overplaatsing van Atjèh en kwam in 1891 als commandant van het 11de Bataljon Infanterie te Meester-Cornelis in garnizoen.

Gedurende de afgeloopen Atjèh-periode was hem de groote beteekenis der onderhoorigheden van dat gewest duidelijk geworden en had hij de gegevens verzameld voor zijne'zooveel opzien verwekkende brochure „De onderwerping van Atjèh", welke tot motto had: „De Atjèh-oorlog „knaagt aan ons Koloniaal bezit; hij moet eindi„gen. Laten wij eindelijk aan de beschaafde wereld „toonen, dat wij daartoe in staat zijn." ,

De herhaalde bestuursveranderingen en voortdurend wijzigende bestuursinzichten scherp hekelende, gaf hij in die brochure tevens duidelijk en logisch den weg aan, die gevolgd moest worden om de onderwerping en pacificatie van Atjèh te verkrijgen.

De brochure, welke in 1892 het licht zag, eindigde met de merkwaardige uitspraak dat „de Atjèhers zich nooit anders dan gedwongen zullen „onderwerpen en dat slechts hij, die toont de „macht te bezitten om zijn wil te doen eerbiedi„digen, de meester zal zijn, aan wiens bevelen zij „zich zullèn onderwerpen."

Den 30sten Juni 1893 werd hem twee jaren verlof wegens ziekte verleend. Hij bleef in Holland tot Januari 1895. In Indië teruggekeerd werd hij, die in Juli 1894 bevorderd was tot luitenantkolonel, Gewestelijk Militaire Commandant van Sumatra's Oostkust.

Toen na den afval van Teukoe Oema*1 in Maart 1896 de toenmalige legercommandant, Generaal Vetter, als Regeerings-Commissaris naar Atjèh was gezonden, om daar, na het fiasco van de zoogenaamde Oema^-politiek, orde op den gang van zaken te stellen, werd bij telegram d.d. 13 April 1896 de Overste Van Heutsz ter beschikking gesteld van den Civiel en Militair Gouverneur van Atjèh. Hij heeft toen als colonnecommandant en leider van verschillende oorlogshandelingen een belangrijke rol gespeeld, daar hem steeds de gewichtigste, moeilijkste en meest gevaarvolle ondernemingen werden opgedragen.

Daar hij het dikwijls met het beleid van zijn chefs niet eens was en dezen zijn optreden aan onbillijke critiek onderwierpen, moest zulks, ook in verband met zijne karaktertrekken, tot conflicten leiden, waardoor zijn loopbaan meermalen gevaar liep. De tussehenkomst van den toenmaligen landvoogd, Jhr. van der Wijck, was noodig om zulks te voorkomen en hem de belooningen te schenken, welke hem alleszins toekwamen.

Voor zijn dapper en beleidvol optreden als colonne-commandant werd hij in Mei 1897 benoemd tot ridder der 3e klasse van de M.W.O. en daarna den 30e September van genoemd jaar wegens uitstekende militaire daden buitengewoon bevorderd tot kolonel en benoemd tot Chef van den Generalen Staf instede van den tot generaal-majoor bevorderden Kolonel Van Vliet, die tevens benoemd was tot Civiel en Militair Gouverneur van Atjèh en Onderhoorigheden.

Langzamerhand begonnen de zienswijzen en de denkbeelden van Van Heutsz omtrent het in Atjèh te volgen beleid bij de Indische regeering meer en meer ingang te vinden en toen verschil van inzicht omtrent een eventueel optreden van onze troepen tegen de landschappen in Pidië tusschen

Begeering en Gouverneur leidde tot het aftreden van den laatste, werd 25 Maart 1898 Van Heutsz tot Civiel en Mil. Gouverneur benoemd. Nu kon hij toonen, dat hij de macht bezat zijn wil door de Atjèhers te doen eerbiedigen, dat hij zou duidelijk maken de meester te zijn, aan wien zij hadden te gehoorzamen. Overal werd spoedig na zijn optreden krachtig offensief opgetreden, zoowel door mobiele colonnes als in grooter troepenverband onder zijn persoonlijke leiding, o.a. bij de bekende Pidië-expeditie in 1898, de expeditie ter Noorden Oost-kust van Atjèh in 1899 en de krijgsverrichtingen tegen Batèë Ilië en Samalanga in 1901. Afzonderlijke vermelding verdient nog de onder zijn bewind plaats gehad hebbende merkwaardige tocht naar de Gajö-, Alas- en Bataklanden, waarmede Overste Van Daalen in Februari 1904 werd belast.

Rusteloos werd overal, waar men zich tegen ons gezag bleef verzetten, geageerd, maar het succes was dan ook volkomen. Na zoovele jaren van vernedering had hij het Indische leger daardoor-het geloof teruggegeven aan eigen kracht en kunnen.

De krachtige slagen aan de zich verzettende bevolking toegebracht, noopten deze zich aan ons gezag te onderwerpen. Vele belangrijke verzetleiders, waaronder in de eerste plaats genoemd moeten worden Toeankoe Möhamad Dawöt, de pretendent-Soeltan, en Teukoe Panglima Polèm, het Sagihoofd der XXII Moekims, legden in 1903 het hoofd in den schoot, terwijl tal van anderen met vele honderden volgelingen neergelegd of gevangen genomen dan wel op andere wijze onschadelijk werden gemaakt.

In de jaren 1898—1904, toen de daad en het woord aan hem waren, heeft Van Heutsz waargemaakt, wat hij in 1892 geschreven had. Zoo werd Atjèh door hem onderworpen en werden de grondslagen gelegd voor de pacificatie en een periode van voortdurende economische ontwikkeling.Niet alleen heeft hij zich daarbij doen kennen als een hoogst beleidvol aanvoerder, maar ook als een bezadigd en rechtvaardig bestuurder.

Dat hij zulke groote resultaten kon bereiken, had hij ook te danken aan zijn benijdenswaardig optimisme onder alle omstandigheden; nooit liet hij zich weerhouden door bezwaren, waardoor „alles kan" zijn lijfspreuk werd.

Na in November 1898 bevorderd te zijn geworden tot generaal-majoor, werd hij in Januari 1899 benoemd tot commandeur der M. W. O. en in Augustus van dat j aar tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en in September 1900 bevorderd tot luitenant-generaal. In Aug. 1902 benoemd zijnde tot Adjudant in buitengewonen dienst, Adjudant-Generaal van H. M. de Koningin met rang van Groot-Officier van de Kroon, werd hem in Maart 1903 als bewijs van bijzondere tevredenheid over de wijze waarop hij zijn taak als Civiel en Militair Gouverneur had vervuld, de hoogste militaire onderscheiding, het Grootkruis der M.W.O., verleend. Na in juli 1904 benoemd te zjjn tot opvolger van den Gouverneur-Generaal Rooseboom, aanvaardde hij in October van dat jaar de Landvoogdij, welke hij tot in December 1909 bekleedde.

Met vaste hand heeft hij gedurende zijn bewind een einde gemaakt aan den onhoudbaren en vernederenden toestand in de buitengewesten, waar in vele streken slechts een schijngezag werd