is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEELBOGW.

1011

bouwers. Over het inkomen der Indonesische deelbouwers zijn slechts weinig gegevens beschikbaar. In het rapport Meyer Ranneft— Huender over den belastingdruk op Java en Madoera vindt men de uitkomsten van het onderzoek naar het inkomen van een aantal gezinnen medegedeeld.

Gevonden werd gemiddeld:

_ . periaar Gezins-

~ sterkte T .

Groep ., Inko-

r in elke per

men per . groep hoofd 8ezm

Deelbouwers zonder* •

grond 4,8 / 24,74 / 118,75

Landarbeiders in

den Inl. landb. . 3,5 „ 28,96 „ 101,36

Losse koelies ... 4,0 „ 30,08 „ 120,32

Arme sawah- of te-

galbezitter ... 5,0 „ 29,53 „ 147,65

Sawah- of tegalbez. met een behoorlijk inkomen . . 6,2 „ 48,36 „ 299,83

Vermogende sawah-

ofoegalbezitters . 8,4 „ 129,82 „ 1090,49

Uit dit cijfermateriaal krijgt men den indruk, dat het gemiddeld inkomen der onderzochte deelbouwers op Java en Madoera op ongeveer hetzelfde niveau moet liggen als dat van landarbeiders in den Indonesischen landbouw. Het bewerken van een stuk grond in deelbouw levert er economisch dikwijls niet veel ander resultaat op, dan dat het den deelbouwer op een wat goedkoopere manier dan door aankoop in het bezit stelt van padi en andere voor zijn levensonderhoud noodige voedingsmiddelen, waarbij dan de eigen arbeid niet gerekend wordt. Verder bleek, dat de meeste der onderzochte deelbouwers andere bijverdiensten hadden, ja het grootste deel van hun <7eZ(iinkomen werd niet uit deelbouw gewonnen.

IV. Sociale zijde van den deelbouw in Nederlandsch-Indië.

.4. Slavernij en hoorigheid als voorlooper van deelbouw. Evenals in andere landen is in Nederlandsch-Indië slavernij en hoorigheid in vele streken voorafgegaan aan deelbouw. De klasse der slaven, speciaal de zelfstandig gehuisveste slaven, al dan niet beloond met een oogstgedeelte, is dan overgegaan in of vervangen door een klasse van aanvankelijk zich zelf nog weinig vrij gevoelende, maar later vrije deelbouwers.

Zelfstandig gehuisveste landbouwslaven, die een deel van de opbrengsten der door hen bewerkte gronden van hunne heeren kregen, worden in de literatuur vermeld voor de Bataklanden, Pasemah (res. Palembang) de Eajan Dajaks op Borneo en voor Flores en Timor en bij sommige Toradjastammen. In de Lampoengs werd de afschaffing van de slavernij in 1859 voor de pepercultuur economisch mogelijk, doordat Bantamsche vrije koeliessinds 1845 de plaats der slaven hadden ingenomen. In Gorontalo eischten de grootgrondbezitters na de afschaffing van de slavernij zulke drukkende deelbouwquotiënten van hun vroegere slaven, dat deze in het gebergte

vluchtten en een ladangbouw begonnen, waardoor vele vruchtbare sawahs braak bleven liggen. In Zuid Celebes daarentegen werden velen der vroegere slaven deelbouwers. In Midden Lombok valt momenteel nog de overgang der nog vrij wel hoorige „sepangans" in een klasse van vaste knechts en van deelbouwers te constateeren.

Of in West Java bewerking van Inlandsche bouwgronden door slaven is voorgekomen is twijfelachtig. Wel is zeker, dat vóór de afschaffing van het Preangerstelsel in 1871 (zie PREANGERSTELSEL) meer sprake was van een bewerking der gronden door allerlei categorieën van dienstplichtigen, met een belooning naar goedvinden door den grondbezitter vast te stellen dan van een vrije deelbouwovereenkomst. Eerst was een gedeelte der bevolking verplicht tot bewerking der sawahs der aanzienlijken zonder eenige vergoeding, later werd deze prentah (bevel) vervangen door een prentah aloes (aandrang) en deze weer door een vrijwillige deelbouwovereenkomst. Dat is de waarschijnlijke ontwikkelingsgang.

B. Plaats van den deelbouwer in de Inlandsche maatschappij. Men kan hierbij moeilijk generaliseeren, terwijl voor een goede beoordeeling de sociologische gegevens ontbreken. Het sociale aanzien van de deelbouwers zal in een streek, waar het overgroote deel der landbouwers deelbouwers is, zooals bijvoorbeeld in Pangkadjéné en Maros (Zuid Celebes) waarschijnlijk grooter zijn dan bijv. in de Bataklanden, waar de deelbouwers meest arme lieden zijn. Een andere categorie zijn de vreemdelingen, die geen volwaardige grondrechten kunnen krijgen en daarom deelbouwer moeten blijven zooals de Bantamsche deelbouwers in de Lampoengs.

Op Java en Madoera is daarentegen waarschijnlijk van een afzonderlijke klasse van deelbouwers geen sprake; de deelbouwers behooren er vermoedelijk voor een groot percentage tot den „stand" der menoempangs, dat zjjn lieden, die een huis bezitten op andermans erf, terwijl de bezitters van huis en erf wel ver in de minderheid zullen zijn.

De voorkeur voor deelbouw, niettegenstaande deze waarschijnlijk dikwijls tot economisch slechte uitkomsten leidt, moet waarschijnlijk gezocht worden in het sociaal hooger aanzien, dat de deelbouwer boven een koelie in de Inlandsche maatschappij heeft. Hierbij komt, dat de grootere zelfstandigheid, die de deelbouwer geniet, op prijs wordt gesteld. Bovendien verzekert hij zich van een bepaalde hoeveelheid voedingsmiddelen, vooral rijst. In het algemeen bemoeit de grondbezitter in den Indonesischen landbouw zich weinig of niet met het door den deelbouwer op zijn gronden uitgeoefende bedrijf. Terwijl men in andere landen spreekt van de „agricultural ladder", waarbij dan als één van de eerste sporten op de maatschappelijke ladder deelbouw wordt geëntameerd, is het onzeker, of een dergelijke opklimming in Nederlandsch-Indië ook plaats heeft, of dat de deelbouwers hun geheele leven niet verder komen. Uit de gegevens der steekmonsters voor het belastingdrukonderzoek op Java en Madoera kan men echter wel de gevolgtrekking maken, dat de deelbouwers gemiddeld j onger zijn dan de grondbezitters en minder kinderen hebben. Daar echter waarschijnlijk in de Inlandsche