is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INDO-EUROPEESCHE BEWEGING.

1291

Indische Partij met de door haren leider Dr. E. F. E. Donwes Dekker gepropageerde ideologie van een Indisch nationalisme, gegrond op de solidariteit van de Indische Nederlanders en Indische Chineezen met de Inlanders tegenover het Nederlandsch gezag.

Toen Douwes Dekker in 1911 zijn revolutionnaire ideeën propageerde, vond hij de vereenigingen De Indische Bond en Insulinde op zijn weg. Aanvankelijk was hij aangesloten bij Insulinde, de sociaal-politieke organisatie der groep van Indo-Europeanen, waartoe hij zelf behoorde. Zijn ideaal was deze beide bestaande organisaties te vereenigen, zoo mogelijk onder zijn leiding, tot één groot en machtig nationaal verband van alle „Indiërs" — Indo-Europeanen, Indo-Chineezen en Inlanders — ten einde te komen tot een revolutionnaire emancipatie-beweging van geheel Indië.

Dat ideaal kon niet verwezenlijkt worden; noch in organisatorisch, noch in ander opzicht. De Indisohe Bond en Insulinde volgden eigen wegen naar evolutie, strevend naar overbrugging van de koloniale tegenstellingen van socialen en economisohen aard. Zij bleven die organisaties openstellen ook voor hen, die er prijs op stelden Nederlanders te zijn en te blijven. Evenmin als de Indische Bond wenschte Insulinde den Indischen geest te stellen tegenover den Nederlandschen geest in de koloniale samenleving; nog minder er naar te streven om den staatkundigen band tusschen Nederland en Indië aan te tasten en te verbreken. Dit standpunt verdroot den Insulindeman Douwes Dekker zeer, zoodat hij ten slotte besloot een eigen partij te stichten.

Hiermede werd een nieuwe phase ingeluid in de Indo-Europeesche beweging; de actie der Indisohe Partij had tot gevolg, dat de geestesstroomingen in verschillende groepen der Indische samenleving in gevaarlijke bedding geraakten.

Na een propaganda gedurende twee jaren in woord en geschrift, in bijeenkomsten op verschillende plaatsen op Java en daarbuiten, zoomede in „Het Tijdschrift" en „De Expres", kwam in een groote constitueerende vergadering op 25 December 1912 te Bandoeng de Indische Partij tot stand. De nieuwe organisatie werd opgericht met ruim 5000 leden, waarvan 1300 te Semarang, 850 te Soerabaja, 700 te Bandoeng en 645 te Batavia gevestigd.

In tegenstelling met de vereenigingen Indische Bond en Insulinde had de Indische Partij uitsluitend een politiek doel. Zij beoogde te vormen een Indische onafhankelijkheidspartij, die streven zou naar beëindiging van de koloniaal-staatkundige verhouding. Hare leuze was „Indië voor de Indiërs", d.i. voor de blijvers, de kolonisten, de Inlanders, Chineezen, enz. In de oprichtingsvergadering werd de oorlog verklaard aan het regeeringssysteem in Indië.

Volgens de oorspronkelijke statuten was het doel der Indische Partij: het patriottisme aller Indiërs voor den bodem, welke hen voedt, wakker te roepen ten einde hen te nopen tot samenwerking op den grondslag van staatkundige gelijkstelling, om het Indisch vaderland tot bloei te brengen en het voor een onafhankelijk volksbestaan voor te bereiden. Als middelen om dit doel te bereiken werden o.m. genoemd: het aankweeken van een Indisch nationalisme door het doen dóórdringen van de idee eéner volks¬

eenheid aller Indiërs en het weerbaar maken van de Indiërs voor de eventueele verdediging van den bodem tegen vreemde overweldigers. Ieder, die zioh Indiër gevoelde, zonder onderscheid van klasse, sexe of landaard, kon als lid van de vereeniging worden toegelaten.

De door de leiders gevoerde propaganda was intusschen van dien aard, dat de door hen gevraagde goedkeuring van de statuten door de Indische Regeering werd geweigerd op grond: dat de vereeniging, als zijnde van staatkundigen aard en bedreigende de openbare orde, ingevolge art. 111 van het toenmalig Regeeringsreglement van Ned.-Indië verboden was.

Tevergeefs trachtte het hoofdbestuur der Indische Partij de Regeering gunstig te stemmen, o.a. door wijziging aan te brengen in de gewraakte statuten. Het vereenigingsdoel werd nader als volgt omschreven: „door al de haar ten dienste staande wettige middelen de stoffelijke en zedelijke belangen van hare leden op elk gebied en den bloei en de welvaart van Ned.-Indië voor te staan en te bevorderen en te streven naar opheffing van alle zoodanige misstanden en wetsbepalingen als aan de bevordering van dat doel in den weg staan en het in het leven roepen van al zoodanige instellingen en bepalingen als aan dat doel kunnen dienstbaar zijn". Klaarblijkelijk was de omschrijving der doelstelling van Insulinde op den voet gevolgd.

De Regeering liet zioh echter niet van de wijs brengen. Ook na deze wijziging werd de gevraagde goedkeuring op de statuten door Haar geweigerd, op grond van de overweging nl. dat „vast staat, dat de thans in de statuten gebrachte wijziging niet ten doel heeft eenige verandering te brengen in het werkelijk karakter der vereeniging", zooals in de vorige Regeeringsbeschikking is omschreven (Gouv. besluiten van 4 en 11 Maart 1913; zie ook Jav. Courant 18 Maart 1913 no. 22).

Daarmede was het doodvonnis over de Indische Partij als zoodanig uitgesproken; als organisatie van Indische gemeenschapsbelangen had zij afgedaan.

Desniettemin gingen de leiders voort met opruiende propaganda te voeren, zoodat de Indische Regeering wel moest ingrijpen.

Bij Gouv. besluit van 18 Aug. 1913 (Javasche Courant 19 Aug. 1913 no. 66) werd aan E. F. E. Douwes Dekker Koepang op Timor en aan zijn partijgenooten Tjipto Mangoenkoesoemo en R. M. Soewardi Soerianingrat resp. Banda en Bangka tot verblijf aangewezen. Op hun verzoek werd hun vergund Ned.-Indië te verlaten, waarop zij naar Nederland vertrokken. In Juli 1914 werd vervolgens aan Tjipto Mangoenkoesoemo wegens gezondheidsredenen toegestaan naar Java terug te keeren (In 1920 werd hem het verblijf in een tiental residenties op Java ontzegd wegens zijn opruiende actie in de Vorstenlanden; in 1927 werd hij op Banda geïnterneerd wegens steunverleening aan communistische opstandsplannen). De interneeringsbesluiten ten aanzien van Douwes Dekker en Soewardi Soerianingrat werden resp. in Aug. 1917 en Juli 1918 ingetrokken (zie nadere bijzonderheden in Onze Verbanning, uitgave van „De Indiër", 1913; voorts Mr. P. H. C. Jongmans, De Exorbitante Rechten enz., diss., blz. 129 vlg. en 196).

Keeren wij thans tot Insulinde terug.