is toegevoegd aan je favorieten.

Rapport over de oorzaken van de ontwrichting en van de verergerde ontwrichting van den postchèque- en girodienst en de schuldigen daaraan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aon

den Heer Directeur-Generaal der Posterijen en Telegrafie.

Bij besluit van U.H.E.G. van 23 Januari 1924 werd eene Commissie gevormd, waaraan werd opgedragen „een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen ter zake van de verantwoordelijkheid en de mate van aansprakelijkheid van het leidend en uitvoerend personeel bij den postchèque- en girodienst voor hetgeen bij de voorbereiding en uitvoering van de centralisatie de ontwrichting van dien dienst naar het oordeel van de Commissie heeft veroorzaakt of verergerd".

Als lid tevens Voorzitter werd aangewezen de heer mr. A. Tak, advocaat-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden, te 's-Gravenhage en als leden de heeren mr. F. R. J. Dubois, secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, te Amsterdam; A. P. F. Duynstee, inspecteur der posterijen en telegrafie, te Maastricht; P. N. L. Feltzer, directeur van het postkantoor, te 's Gravenhage; L. M. van Hengelaar, inspecteur der posterijen en telegrafie, te 's Gravenhage en A. K. Spanjaard, lid van den Nijverheidsraad, mede aldaar woonachtig, terwijl haar werd toegevoegd de commies der posterijen en telegrafie, de heer J. H. M. Heynen, werkzaam bij het bureel van den inspecteur der posterijen en telegrafie te Maastricht.

Aan bovengenoemde opdracht werd in uwe inaugureele redevoering van 28 Januari jl. nog in zooverre uitbreiding gegeven, dat haar tevens werd verzocht voorstellen te doen met betrekking tot de vraag, „welke ambtenaren onmogelijk in het girobedrijt kunnen behouden blijven bij gebleken opzet of schuld, of wel in een logeren rang voortaan zullen moeten dienst doen".

Onmiddellijk na hare installatie op laatstgemelden datum heeft de Commissie zich aan den arbeid gezet en op 6 Maart jl. kon zij hare instructie gesloten verklaren.

Zij richtte zich bij haar onderzoek naar de voorschriften der artikelen 63, alinea 2, en 64 van het Wetboek van Strafvordering

5