Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 123. Wiclef, Hus enz.

201

wereldlijk machthebber, niemand prelaat of bisschop (30) x).

Terecht verwierp de synode van Constanz deze leer, omdat ze niet alleen het bestaan der gansche Kerk, maar zelfs de burgerlijke orde bedreigde. Jan Hus zelf werd als ketter veroordeeld, gedegradeerd, om zijn hardnekkigheid overgeleverd aan den wereldlijken arm en verbrand (6 Juh 1415). Onvervaard besteeg hij den mutsaard. Zijn vriend en vurigste volgeling Hieronymus vanPraag, die eerst zijn ketterij had herroepen, maar later de herroeping de grootste zonde zijns levens genoemd had, onderging eveneens den vuurdood. De zóóveel besproken geleibrief 2) moest Hus alleen beschermen op reis, volstrekt niet tegen het vonnis der synode. „Word ik schuldig bevonden aan dwaling of ketterij," zoo verklaarde Hus zelf, „dan ben ik bereid als dwaalleeraar en ketter te lijden." Een uitspraak der synode, dat men niet gehouden is aan de belofte jegens een ketter (nullam fidem haeretico esse servandam), bestaat niet. Het bewaarde document is het ontwerp van een hd der synode 8).

9°. Met de terechtstelling van Hus en Hieronymus van Praag verdween de ketterij geenszins. Integendeel de strijd nam in hevigheid toe. Niet lang voor zijn dood had Hus*) aan de leeken de nuttiging des kelks aanbevolen. Had men vroeger alleen in Praag den kelk gebruikt en hiervoor zich beroepen op het VI hoofdstuk van den H. Joannes, weldra was het algemeene praktijk onder de Hussieten, die daarom Utraquisten werden genoemd. Koning W e n z e 1, in den beginne veel te toegevend voor de kettern', stond later machteloos tegen de oproerlingen, die in Joannes Ziska een zeer bekwamen aanvoerder hadden. Zij bouwden op Hardstein een vesting, door hen Tabor genoemd, vervolgden en doodden monniken en priesters, hielden 30 Juh 1419 de beruchte kelkprocessie, bestormden het raadhuis te Praag en wierpen zeven raadsheeren uit het venster. Koning

*) Mansi, XXVII, p. 754 s. V. d. Hardt, Magnum concil. Const., IV, 408—412. Denzinger, ed. IX, 150 ss. Ed. X, No. 627—656.

2) De tekst en de bespreking bij Hefele, VII, 218 ff.

3) Höfler, Hist. polit. BL, B. 4, S. 421 ff. en B. 41, S. 529 ff. Hefele, VII, 227 ff.

4) Epistolae quaedam piissimae et eruditissimae Johannis Hus, quae solae satis declarant Papistarum pietates esse Satanae furias. Addita est D. Martini Lutheri praefatio. Witembergae ex officina Joannis Luft. Anno MDXXXVII. Epist. 6. Domino Hauulikom.

Sluiten