Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 128. Bisschoppen en andere geestelijken.

223

Op de eerste plaats de uitsluiting der met-adellijken van het episcopaat. Dit leidde vooral in Duitschland tot zeer noodlottige gevolgenx). Zonen van vorsten en adellijken, waardig of niet, namen bijna alle zetels in. Niet enkel had dit groote ontevredenheid ten gevolge, maar verergerde ook den wereldschen zin van het episcopaat, dat zijn plichten vergat, bedacht was op glans en rijkdom, meer zorg besteedde aan het wereldlijk bestuur dan aan de kerkehjke tucht. Een andere oorzaak bestond in den machtigen invloed der vorsten op de bezetting der bisdommen. Dat de minder stichtende heerschers dier dagen meer op macht en aanzien, dan op talent en heiligheid zagen, is bekend. Daarom kwamen zelfs commendataire bisschoppen voor. De derde oorzaak moet gezocht worden in het anti-pauselijk streven der bisschoppen, die niet begrepen dat met het gezag des Pausen ook hun invloed noodzakelijk dalen moest. Daarbij werkte de overheersching der kerkehjke democratie te Pisa, Constanz en Bazel, waar doctoren, lagere geestelijken en zelfs leeken een hoogen toon aansloegen, voor de hiërarchische onderwerping uiterst noodlottig. Toch kan dit alles, behalve de steeds toenemende wereldsche zin der prelaten, verontschuldigd worden door de haast onoverkomelijke moeiüjkheden, waarin de Kerk toenmaals verkeerde. Ook was het kwaad lang niet algemeen. Tal van krachtige en heilige bisschoppen regeerden van 1300—1500 in Gods Kerk. Op den zetel van Utrecht kunnen genoemd worden Jan van Arkel (tot 1364). Floris van Wevelinkhoven (f 1393), Frederik van Blankenheim(t 1423) en anderen ; te Trier Boudewijn(t 1354), Otto (t 1430) ; te Mainz Petrus Aichspalter (f 1320), Theoderik van Erbaoh (t 1459), Bertholdus van Henneberg; Nicolaus Neugaus te Salzburg, Joannes Dominici, de H. Antonius van Florence en Laurentius Justiniani te Venetië. Ook Frankrijk en Spanje konden op verschillende uitmuntende bisschoppen wijzen. Synoden werden vaak gehouden en deden veel goed.

2°. Nog meer misbruiken heerschten wellicht in de kapittels. Ze waren het gewone toevluchtsoord der niet-eerstgeborenen des adels geworden en herbergden velen, die volstrekt geen roeping voor den geestehjken staat gevoelden. Dat zulk een stemming zeer noodlottig werken moest op hun gedrag, spreekt van zelf.

i) Janssen, Geschichte des d. Volkes, XVII—XVIII Aufl., 8. 688 ff.

Sluiten