Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

§ 128. Bisschoppen en andere geestelijken.

De groote plaag was het concubinaat1), waarvan onverschilligheid, gebrek aan ijver en verwaarloozing der sacramenten het natuurlijk gevolg was. Het recht der bisschoppen op de benoeming der kanunniken werd zeer beperkt, zoodat het kapittel zelf de vacante plaatsen aanvulde en zelfs de dignitates koos. In Frankrijk, Duitschland en Engeland kwam sedert de XHI eeuw het jus primariarum precum in zwang, waardoor de koning en andere rijksvorsten het presentatierecht uitoefenden voor de eerste plaats, die na zijn kroning in de stiften des rijks vacant werd. Dat de vorsten vaak niet op de deugd en bekwaamheid letten, is een droevig feit. Niet zelden stelden zijA personen voor, die de bezigheden aan het beneficie verbonden, niet konden verrichten : knapen, ongewijden of zulken, die reeds een of meer andere beneficiën bezaten. Wel trachtten Pausen en synoden het misbruik tegen te gaan, maar meestal tevergeefs 2). De cumulus beneficiorum en de commendae bleven bestaan. Reeds Joannes XXH had de kardinalen en vorstenzonen van zijn verordeningen daaromtrent gedispenseerd 3), zoodat dit bhjvende voorbeeld schadehjk werken moest op de lagere rangen, vooral op de kanunniken.

3°. De kapittels en kloosters hadden somtijds het patronaatrecht over verschülende parochiën, die over het algemeen met de behandeling tevreden konden zijn. Een ramp was het zoowel voor de parochiën als voor de pastoors, wanneer de patroon willekeurig te werk ging, zich bij de bezetting der vacante plaats aan den bisschop niet stoorde en de kerk met haar inkomsten als zijn eigendom beschouwde. Dan werd het leven der pastoors zeer hard. In sommige landen, b.v. in Engeland, waren vele kerken zoo arm, dat er geen geestehjke zich voor opdeed en de priester liever wilde leven van Mis-stipendiën aUeen. In Scandinavië klaagde men over simonie, door de patroons bij de bezetting der parochiën bedreven 4); in Oostenrijk, dat de patroons de pastoors verdrukten 8). Vooral in de XTV eeuw werd er door de synoden zeer sterk tegen de talrijke misbruiken der patroons geijverd 6).

*) Hefele, B. VII, S. 593 f. Gerson, Opp., II. 617. a) Hefele, B. VI, 445, 462, 554, 556, 605, 617, 688 ; VIII, 155, 293, 373, 469, 732.

a) Extr. Joan XXII, cap. un. De praebendis.

4) Hefele, VIII, 203.

5) Hefele, VIII, 294.

') Hefele, Band VI, passim.

Sluiten