Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 128. Bisschoppen en andere geestelijken.

225

4°. De vorming der geestelijken verschilde zeer van die der vroegere tijden. Een groot gedeelte studeerde aan de universiteiten, die zich bijzonder krachtig ontwikkelden en vermenigvuldigden in de XV eeuw. Reeds in 1322 schreef de synode van Valladolid voor, dat van de 10 kanunniken aan alle kathedrale en collegiale kerken minstens één op een universiteit (studium generale) moest studeeren en wel zóó lang, totdat hij behoorlijk onderricht was. Gedurende dien tijd bleef hij in het genot van het beneficie. Hetzelfde schreef de synode van Toledo in 1339 voor. De synode van Lavaux (1368) wilde, dat er altijd twee van het kapittel aan de universiteit zouden zijn. Die van Maagdenburg (omstreeks 1390) verordende, dat er van het metropolitaan-kapittel drie (voor godgeleerdheid, kerkehjk en burgerlijk recht), van de bisschoppelijke twee (voor godgeleerdheid, kerkehjk of burgerlijk recht), van de collegiale kerken en kloosters minstens een (voor godgeleerdheid of kerkehjk recht) de universiteit zouden bezoeken. Een benoemd pastoor mocht een plaatsvervanger stellen en 7 jaren aan een universiteit studeeren *). In den loop der XV eeuw groeide aldus het aantal degehjk onderrichte geestelijken zeer aan. Voor sommige waardigheden in de kapittels en belangrijke parochiën werden academische graden geëischt 2). Toch studeerde nog het grootste gedeelte der geestehjken aan stift- en kloosterscholen of andere, die allengs de eerste hadden vervangen. Een voorschrift bestond hieromtrent vóór de kerkvergadering van Trente niet; een examen was voldoende. Er werd niet gevraagd, waar men de kennis had opgedaan 3). Alleen heten sommige kapittels niemand toe, die niet twee jaar aan een universiteit had gestudeerd. Landproosten, pastoors en curaten, die de middelen bezaten, moesten zich drie jaar op theologie of kerkehjk recht toeleggen. Aldus de synode van Maagdenburg in 1390 4). Voor lagere rangen werd veel minder gevorderd ; ook waren de eischen lang niet overal dezelfde.

J) Hefele, VI. 536, 564, 625, 837. Cap. Cum ex eo, 34 de elect. in 6.

2) Janssen-Pastor, %. XVII—XVIII Aufl., 103—106 ; 181 ; II, 212 : Luther overdreef : „Niemand kann Prediger oder Pfarrer werden, er sei denn Magister, Doctor oder auf's wenigste in einer hohen Schule gestanden." ■

s) Zie echter de synode van Sabina 1494. Hefele, VIII, 366. 4) Hefele, VI, 837.

P. Albera, S. J. Kerkgesch. II.

15

Sluiten