Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 133. De Kerk en de letterkundige renaissance.

251

dat de klassieke studiën nooit geheel werden verwaarloosd. Niet alleen de groote Kerkvaders, maar ook de geleerden der verdere eeuwen hadden aan de klassieken hun vorming te danken. Velen ontwikkelden hun talenten in de lezing der ouden en legden zich dan zelf op de letterkunde toe. Namen als A1 c uinu s, Radboud van Utrecht, Hroswitha, Abaelardus, JanvanSalesburyen veel anderen bewijzen het voldoende. Een hooger vlucht nam de studie der ouden in het Itahë der XIV eeuw. Daartoe droegen verschillende oorzaken bij. Vooreerst de reactie op het pas verloopen tijdperk. De scholastiek had de klassieken meer teruggedrongen dan noodig was. De tekst der oude schrijvers verkeerde in verwaarloosden staat, de Grieksche was meestal alleen in vertalingen aanwezig. Voldoende kennis van het Grieksch kwam zelden voor. Inhet Latijn der Scholastiek kende men Cicero en L i v i u s niet meer terug. De hierop intredende reactie werd begunstigd door de aanraking met de Grieken tijdens het streven naar de unie en later bij den val van Constantinopel. Ook de kerkehjken aanvaardden de herleving met geestdrift. Bisschoppen en vooral kardinalen hadden hun letterkundigen, die beschermd werden en met geschenken beloond. Het meest heeft de Pausehjke stoel voor de renaissance der oude letteren gedaan. Reeds te Avignon werd de letterkunde bevorderd en de „eerste der humanisten" Petrarca, met beneficiën overlaten. Martinus Ven Eugenius IV, bijzonder echter Nicolaus V, Sixtus IV, en Leo X begunstigden de renaissance en de humanisten uit alle kracht. Een nieuwen, zeer krachtigen stoot gaf de uitvinding der boekdrukkunst aan de letterkundige beweging, die aldus zich zeer snel kon voortplanten en doordringen tot de burgerij.

2°. Zoolang men de heidensche oudheid van het chnstehjk standpunt bleef beschouwen, kon men spreken van een christelijke renaissance, die in vrede was met de Kerk. Want gehjk de oude wereld alleen van de hoogte des Christendoms duidelijk kan worden waargenomen en begrepen, zoo wordt ons het christelijk geloof, de christelijke eeredienst en de christelijke zedenleer, bij vergehjking en tegenstelling met het klassieke heidendom, altijd duidelijker en dwingt steeds meer bewondering af. Aldus opgevat kon de studie der klassieken, onder de bescherming en begunstiging der kardinalen en Pausen, de kerkehjke belangen grootehjks bevorderen. Daarom heeft de Kerk der wetenschap en de kunst der ouden tot de hare

Sluiten