Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

252

§ 133. De Kerk en de letterkundige renaissance.

gemaakt; wel het heidensch bijgeloof en de heidensche onzedelijkheid, maar volstrekt niet de Grieksch-Romeinsche beschaving bestreden. Zoolang de humanisten, naar het voorbeeld van Paulus en de groote Kerkvaders, de oud-kerkelijke methode volgden en de beschaving der ouden als een middel tot christelijke doeleinden gebruikten, strekte de nieuwe kunst en wetenschap der Kerk tot heil. Lang duurde het echter niet, of de studie der klassieken werd het doel, dat door sommigen naast of in de plaats van het Christendom werd gesteld. Deze heidensche renaissance werd bevorderd door de tijdsomstandigheden. Er heerschte een algemeene verslapping van het kerkehjk leven, die sedert het begin der XIV eeuw zich verried in de daling van het pauselijk gezag, den wereldschen zin der geestelijkheid, het verval der scholastieke wijsbegeerte en godgeleerdheid en in de grootste verwarring van het politiek en burgerlijk leven. Zoo werden de gevaarhjke bestanddeelen, welke de oude literatuur zonder twijfel bevat, aangeboden aan een geestehjk kranke en overprikkelde maatschappij. Dit kon niet anders dan nadeelig werken. Men verviel in overdreven en ziekelijke dweperij met het klassieke ideaal, dat ten slotte vereenzelvigd werd met het heidendom. De volgelingen dezer richting streefden er naar, om den heidenschen geest te doen heerschen in denken en leven, het Christendom daarentegen als een verbastering te verwerpen.

3°. Gelukkig telde Italië slechts een betrekkelijk klein aantal echte vertegenwoordigers der heidensche renaissance. En ook dezen bleven uiterlijk met de Kerk verbonden. Niet weinigen dienden aan de curie als ambtenaren, terwijl zij in hun satiren en paskwillen niet zoozeer den spot dreven met kerkehjke instelhngen en dogma's als met toestanden en personen. Geen trotsche ketternaturen waren het, maar lichte, oppervlakkige loszinnigen, die zeer ontuchtig leefden en zich lustig maakten over elk hooger streven. Daarom vindt men geen groot karakter, geen geniaal baanbreker onder hen. Op den drempel der renaissance stond Joannes Boccacio (1313—1375), wiens werken wel doorgaans heidensche zinnehjkheid ademen, maar geenszins vijandig staan tegenover het geloof. Al worden ook in de novellen van zijn beroemde Decamerone vooral geestehjken en kloosterhngen met hoon overladen, een ongeloovige, een vijand der Kerk was Boccaccio niet. Op rijperen leeftijd vooral hield hij zich met ernstige klassieke studiën bezig, veroordeelde zijn vroegere hchtzinnigheid en stierf in vrede met de

Sluiten