Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

264

§ 134. Kerkelijk leven.

Met zoo helder dachten velen over den aflaat voor overledenen1). Terwijl sommigen twijfelden, of een aflaat kon worden toegepast op de zielen, die niet meer onder de rechtsmacht der Kerk staan, beweerde menig aflaatprediker, dat de aflaat zeker en volledig aan de overledenen ten goede zou komen, en voegde somwijlen er bij, dat men zulk een aflaat kon verdienen zonder in staat van genade te zijn. Tegenover deze onzekerheid en overdrijving leerden de voornaamste scholastieken2), dat men een aflaat voor de overledenen kan verdienen. Ook hadden de Pausen sedert lang zulke aflaten verleend en allengs tal van altaren tot altaria privilegiata verheven. Altijd echter werd uitdrukkehjk verklaard, dat men de aflaten op de overledenen toepaste per modum suffragii.

4°. De ontwikkeling der feestdagen 3) ging ook nu altijd voort. Het feest der H. Drievuldigheid op vele plaatsen, niet echter te Rome gevierd, werd algemeen voorgeschreven door J o a n n e s XXII in 1334; Onze-Lieve-Vrouw-Visitatie, tijdens het schisma door Urbanus VII en Bonifatius IX ingesteld, doch niet alom in gebruik gekomen, werd door Sixtus IV in 1475 hersteld en met een octaaf verrijkt. Onder denzelfden Paus ontbrandde naar aanleiding van zijn officie een hevige twist over de leer der Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd. In 1485 verscheen er een bul, waarin een ieder veroordeeld werd, die zeide, dat zij die de Onbevlekte Ontvangenis beleden en het feest vierden, zich schuldig maakten aan ketterij. Het feest was derhalve nog lang niet algemeen, maar werd door deze beslissing niet weinig bevorderd 4). In 1371 kwam het feest Maria-Presentatie uit het oosten naar het westen en verspreidde zich weldra. Sixtus IV nam het officie op in het Romeinsch brevier pro aliguibus locis en Sixtus V strekte het uit over de gansche Kerk. Niettegenstaande de H. J o s e p h in de H. Schrift „rechtvaardig" wordt

!) N. Paulue, Hist. Jahrb., XXI, 654 ff. ; Zeitschr. f. Kath. Theol., XXIV, 1 ff.; 249 ff.

*) Raymundi de Pennafort, Summa de poenitentia et matrimonio etc. Romae 1603, p. 497. Alberti M. Comm. in IV Sent., d. 20, a. 18, q. 3. Opp. XXIX, Parisiis 1894. 8. Thomae Summa Theol. Suppl., q. 74, a. 10.

3) Kellner, Heortologie, Freiburg i. B. 1901. V. d. Berg, De viering v. d. Zondag en de feestdagen in Nederland voor de hervorming, Utrecht 1914.

*) Over de lasterlijke aantijging tegen eenige Dorninicanen en hun veroordeeling, zie Paulus, Ein Justizmord an vier Dominikaner begangen (Frankfurter zeitgem. Broschüren, 1898, No. 3).

Sluiten