Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 136. Luther en de aflaatstrijd.

279

van zelfbewustheid, hoogmoed, neiging tot tegenspraak en liefdeloosheid tegenover anderen. Hij schijnt somwijlen aan hevige aanvechtingen en angsten te hebben blootgestaan, maar volgens zijn eigen herhaalde bekentenis voelde hij zich toch gelukkig in het klooster. Over de toestanden in Rome en in Itahë oordeelde Luther in later jaren zeer ongunstig en dikwijls zeer onbillijk ; lof heeft hij voor de beoefening der naastenliefde en weldadigheid, voor de matigheid der Italianen, en den geregelden gang van zaken aan de Curie. Dat hij door het minder stichtende niet aan het wankelen kwam, getuigt zijne latere bekentenis ; „Yk. zou in staat geweest zijn een ieder te dooden, die den Paus, ook maar met één woord gehoorzaamheid had geweigerd."

2°. Uit Rome teruggekeerd werd Luther weer naar Wittenberg verplaatst; 1 October 1512 verwierf hij den doctorsgraad in de theologie en trad op als professor in de H. Schrift. Van 1513 tot 1515 gaf hij eene verklaring van de Psalmen. Ook deze Psalmenverklaring bewijst nog geen afwijking van de kerkelijke leer. Luther leert nog de natuurlijke vrijheid van den wil, de verdienstelijkheid der goede werken, de onderwerping aan het kerkehjk gezag, enz. ; maar het is opmerkelijk, dat hij voortaan optreedt als de felle bestrijder der Observanten, dat zijn hoogachting voor de goede werken begint te dalen, en dat hij sterk nadruk legt op de macht der begeerlijkheid en de zwakheid der menschelijke natuur tegenover de kracht der genade en der verdiensten van Christus. Luther sprak van eene hervorming der theologie ; maar voor die taak was hij in 't geheel niet berekend ; grondig geschoold was hij volstrekt niet; van de scholastiek kende hij slechts de uitwassen van het nominalisme. Valsch mysticisme en spiritualisme deden hun invloed gelden. Li de drukke bezigheden en verstrooiingen van zijn werkkring ging Luthers geestelijk leven achteruit; zelden bleef hem genoeg tijd over om het brevier te bidden, en de H. Mis te lezen. Het nederig gebed, om te bhjven staan, was hem vreemd ; en onderwijl had hij hevige aanvechtingen te doorstaan en kostte hem het onderhouden der wet, het onderdrukken der begeerlijkheid geweldigen strijd. Zijn zelfoverschatting, zijn gehechtheid aan eigen inzicht namen toe ; overal, bij Tauler, bij Augustinus, in de H. Schrift meende hij de bevestiging van zijn ideeën te vinden. Zoozeer ontbrak het hem aan zelfbeheer, zoover veroverde hem de hoogmoed, dat hij weldra de teksten geweld aandeed om ze voor zijn vooropgezette meening te doen spreken.

Sluiten