Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 136. Luther en de aflaatstrijd.

281

spronkelijke Evangelische Kerk worden gebrandmerkt. „Geen letter is er," volgens Luther, „in de kathoheke leer zoo klein, geen werk in de Kerk zoo gering, of het verloochent en lastert Christ u s en schendt het geloof in Hem."

Aldus stond Luther reeds in 1516 met zijn leer over de begeerlijkheid, de erfzonde, de vrijheid van den ml, de genade, de rechtvaardigmaking bulten de leer der Kerk. In September van dat jaar zat hij aan de universiteit een disputatie voor en het daarin de stelling verdedigen: „Homo guando facit, quod in se est, peccat, cum nee veile aut cpgitare ex seipso possit." In Augustus 1517 stelde Luther voor een doctorandus 29 stellingen op, waarvan de 4de nagenoeg hetzelfde zegt; de 5de ontkent den vrijen wil: de wil is niet vrij, maar gevangen. In zijn vastenpreeken van dat jaar sprak hij zich reeds tegen den aflaat uit; C h r i s t u s is de voldoening, „het is niet noodig naar Rome, Jeruzalem of Compostella te gaan." Reeds toen werd Luther door velen ketter genoemd. Kort daarop aanvaardde hij openhjk den strijd tegen de Kerk.

3°. Van dat optreden tegen de Kerk en Paus is de Aflaatstrijd volstrekt niet de oorzaak, maar hoogstens de aanleiding geweest1). Paus J u 1 i u s II was den bouw der nieuwe St. Pieterskerk te Rome begonnen. Veel nog bleef bij zijn overlijden (1513) te doen. Het lag voor de hand, dat de christenen der gansche wereld zouden bijdragen voor de voltooiing der pausehjke basiliek. In 1506 was te dien einde een aflaat uitgeschreven, welken Leo X (1514) vernieuwde2). Als voorwaarde had deze Paus gesteld biecht en communie, vasten op den dag vóór de biecht, het bezoeken van 7 kerken en 7 altaren en een bijdrage voor den bouw van den St. Pieter naar vermogen. Commissaris voor de kerkprovinciën Mainz en Maagdenburg was de aartsbisschop van Mainz, Albrecht van Brandenburg, die de helft van het bedrag ontving 3). Als aflaatprediker voor het oostelijk gedeelte zijner provincie stelde hij aan den predikheer Joannes Tetzel *), een bekend redenaar en theoloog. Deze

*) Aan Tetzel, die treurde over de verwarring, schreef Luther, dat Tetzel de oorzaak niet was, maar dat het kind een heel anderen vader had. Brieven, De Wette—Seidemann, VI, 18. Zie Grisar, Luther, I, 281.

2) De aflaat en vooral de misbruiken bij de prediking werden ook door zeer kerkehjke personen gelaakt. Zie Pastor, Geschichte der Papste, IV, S. 228 ff.

») Hist. pol. BL, B. 118 (1896), S. 73 ff.; 106 ff.

«) N. Paulus, Hist. Jahrb. d. Görresges. 1895, S. 37 ff. Vooral echter : Die deutschen Dominikaner im Kampf gegen Luther, Freiburg 1899. Johann Tetzel, der Ablassprediger, Mainz 1899.

Sluiten