Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 138. Luthers medehelpers en geschriften.

291

geloofsleer, door Luther geprezen als onsterfehjk en waardig te worden opgenomen in den canon der H. Schrift. Tot aan zijn dood bleef Melanchthon zijn meester getrouw en werkte naast hem aan de innerlijke inrichting van het Lutheranisme. Ofschoon nauwelijks een schrijver op Duitschen bodem den eerbied voor den H. Stoel zóó diep heeft ondermijnd als Erasmusx), zóó den spot gedreven met den bijbel, zich zoo oneerbiedig uitgelaten over de geïnspireerde schrijvers van het Oude en Nieuwe Verbond, toch keerde hij zich af van Luther, omdat deze de vrijheid van den menschehjken wil verwierp. Tal van anderen, edeler van inborst dan E r a s m u s, deinsden terug voor de verschrikkelijke gevolgen der Luthersche beweging en verheten den ketter en opstandeling, die het verstand een beslia noemde. Tot dezen behoorden Albrecht Dürer, Reuchlin, Jacobus Wimpheling en Ulrich Zasius.

4°. Hulp en vriendschap vond Luther bijzonder bij de afgevallen priesters en monniken. De meesten waren de kloosters der Augustijnen ontvlucht, die nagenoeg geheel werden ontvolkt2). Zij haatten de Kerk niet minder vurig dan Luther, die veel dienst van hen had, maar over hun onzedelijk leven vaak heftige klachten aanhief. Tot de Benedictijner orde had Urbanus R hegius behoord, de hervormer van Brunswijk. De beruchte B u t z e r 3) had de Domuücaner orde verlaten en werkte zeer veel voor het nieuwe Evangelie, vooral te Straatsburg. Afvalligen der Franciscaner orde waren Myconius, Eberlin van Günzburg, Lambertus, de rechterhand van Philips van Hessen, en Stephanus Kempen, die Hamburg hervormde. Capito, de proost van het Thomasstift, predikte de nieuwe leer te Straatsburg. Zelfs twee bisschoppen vielen af en ijverden voor de uitbreiding der ketterij : Joannes van P o 1 e n z, bisschop van Samland en die van Pomesanië, E r h a r d van Queis.

5°. Enkele van Luthers volgelingen pasten terstond zijn beginsel der bijbelverklaring toe en leidden daaruit gevolgtrekkin-

x) Opp. Omnia, ed. Lugd. Bat. 1703—1706, 10 vol. Stdhelin, Erasinus' kStellung zur Beformation, Bazel 1873. Kalhoff, Arch. für Bef. Gesch., 1, Heft 1, Berlin 1903.

*) N. Paulus, Der Augustiner-mönch J. Hoffmeister, Freib. 1891. Hefele—Hergenróther, IX, 309.

8) Stern, M. Butzer. Ein Lebensbild, Strassburg 1891. Paulus, in Der Katholik 1891, II, 44 ff.

Sluiten