Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 139. Boerenkrijg.

301

Evenzop had men tien artikelen opgesteld voor de hervorming van Kerk en staat: deze beoogden een democratisch-socialistische repubhek met een keizer zonder gezag als hoofd. Daarbij nam de opstand terstond den vorm van een godsdienstoorlog aan; het Evangelie moest worden nageleefd, monniken en geestelijken, die niet afvielen, gedood, kloosters en kerken tot asch verbrand. Hierbij beriep men zich natuurlijk op Luther, die dit alles met de grootste heftigheid had gepredikt en geschreven.

4°. De opstand nam een aanvang in Zwaben (23 Juni 1524) en breidde zich weldra uit over bijna alle Duitsche landen. Münz e r en verschülende anderen leidden het oproer. In Wurtemberg stond hertog U1 r i c h aan het hoofd. Met de boeren hoopte hij zijn hertogdom te herwinnen. Vandaar ging de beweging naar het Allgau, naar Tyrol, den Elzas, naar Thüringen en de landen aan den Main. Alleen Beieren, met kracht bestuurd, bleef rustig. Het is natuurlijk, dat velen Luther den belhamel noemden. Overtuigd van de groote schade, die het reine Evangehe door de revolutie hjden moest, schreef hij in de lente van 1525 een „ Vermaning tot vrede op de twaalf artikelen der boeren in Zwaben" *). Alle schuld schoof hij van zich zelf en het Evangehe af 2) en beweerde, dat zijn vijanden, de „moordprofeten", het volk tot opstand hadden verleid. Dan viel hij uit tegen de vorsten, „de verblinde bisschoppen", de „dolle papen en monniken", die het oproer hadden verdiend door hun verzet tegen het „heilig Evangehe", door de onmatige belasting, door weelde en hoogmoed. Zulke taal ontvlamde den hartstocht der boeren nog meer. Wat kon het helpen, dat Luther hen vervolgens beval, ook aan slechte oversten te gehoorzamen, een goede zaak met rechtvaardige middelen, niet met roof en moord te verdedigen ? De boeren gingen voort heel Duitschland te verwoesten. Ongekend was het onheil, aangericht door het zoogenaamde „Evangehsche leger", waarvan, na den woesten Oeorg Metzier, de wreede Götzvan Berlic hingen het hoofd was. Lijken, rookende puinen en ellende lieten zij achter. Bij de 1000 burchten, kasteelen, stiften en kloos-

1) Janssen-Pastor, II, 519.

s) Zie P. Schreckenbach, Luther und der Bauernkrieg. Dissertation, Oldenburg 1895. Vgl. Janssen-Pastor, noot 2, S. 519—521.

Sluiten