Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

320

§ 141. Smalkaldische bond. Dood van Luther.

was een geluk voor de katholieken, die daardoor van zelf van het half Luthersche Interim waren verlost. — Was het optreden des keizers in dezen rijksdag zóó ongelukkig, dat men zijn regeering begon te wantrouwen, zeer onvoorzichtig noemde men ook het geheime verdrag met Philips van Hessen. Deze leefde sedert 14 Maart 1540 in een dubbel huwelijk, dat hij met verlof van Luther en Melanchthon had gesloten: „Wat in de wet van M o z e s aangaande het huwelijk is toegestaan, dat kan in het Evangehe niet verboden zijn", hadden dezen geantwoord. Alleen moest het tweede huwehjk geheim bhjven wegens de ergernis. Toch werd het openbaar. Tot een openlijke ontkenning echter was de landgraaf, zelfs op herhaald aandringen van Luther niet te brengen. Toch vreesde hij den keizer en de straffen tegen de veelwijverij. Het was- Philips derhalve zeer welkom, in een geheim verdrag te kunnen beloven, overal de zaak des keizers te willen voorstaan, en daarvoor de verzekering van Kareis „bijzondere genade en vriendschap" te ontvangen. Onderhouden echter wilde de landgraaf niets en vond daarvoor in het verdrag zelf voldoenden grond, omdat hij gehoorzaamheid beloofde in alles, „behalve in religiezaken, den Smalkaldischen bond en andere overeenkomsten tusschen de vorsten der Augsburgsche confessie". Li deze clausule kon Philips elk oogenblik een aanleiding vinden tot openbaar verzet1).

8°. Trots het Interim en de -rijksdagen van Spiers en Neurenberg (1542) ging men met de protestantizeering voort; eerst de bisdommen Naumburg-Zeitz en Meissen, dan het hertogdom Brunswijk-Wolfenbüttel2). Nadat hertog Hendrik, tegen wien Luther zijn smaadschrift Tegen Hansworst schreef door den Smalkaldischen bond uit zijn gebied was verjaagd, nam de invoering van het evangehe met een beeldenstorm een aanvang. Men roofde alle kostbaarheden, rukte de dooden uit het graf, verstrooide en schond het H. Sacrament. Luther klaagde over de gierigheid en de rooverijen der overwinnaars 8). Dan stelden dezen een kerkorde in; de „verleidelijke, afgodische misbruiken" hielden op en

" *) Rockwell, Die Doppelehe des Landgraf en Ph. von Hessen, Marburg 1904.

*) Hoffmann, Naumburg im Zeitalter der Reform., Leipzig 1901. (Leipz. Studiën).

8) Maar toch noemde hij de verovering een wonder : Summa, Deus est in hac re totus factus, seu, ut dicitur, Fac totum. „Recte scribis miracula Dei esse."

Sluiten