Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

370

§ 149. Hervorming in de Nederlanden.

van alle andere godsdienstoefeningen moet worden erkend, dat de strenge plakkaten, meestal ter wille der heftige predikanten uitgevaardigd, vaak niet ten uitvoer werden gelegd. Toch kwam die gematigdheid der ambtenaren aan de kathoheken gewoonhjk zeer duur te staan. Men moest zich abonneeren x) bij den schout der plaats, die dan voor een bepaalde som gelds toestond de plakkaten straffeloos te overtreden. Was een gemeente arm of niet gezind, haar vrijheid voor geld te koopen, dan had zij storing der godsdienstige bijeenkomst te wachten. Aldus bleef men bijna twee eeuwen lang ter prooi aan de dwingelandij van den schout. Het feit, dat de kathohek om den godsdienst zijner vaderen geen vol burger was in de repubhek en veel moest hjden ter wille des geloofs, had een dubbel gevolg. De vurige hechtte zich altijd inniger aan de religie, die hij onder zooveel smaad beleed. De lauwe daarentegen verzaakte het geloof, om zich aan de verdrukking te onttrekken. De afval vooral in de steden was groot. De kloosters en abdijen, die op onzen bodem zoo talrijk waren, bestonden niet meer. De laatste vrouwenkloosters te Utrecht werden opgeheven in 1613 en hun bezittingen geseculariseerd. De Nederlandsche Kerk was practisch zonder hoofd, een groot aantal priesters moedeloos. In 1583 nam Sasbout Vosmeer2) van Jan van Bruhesen het ambt van vicaris-generaal over en trachtte de verstrooide kudde te verzamelen. Omtrent denzelfden tijd werd te Keulen een Nuntius Apostolicus aangesteld, die den 22 Febr. 1592 een uitgebreide bevoegdheid over deze gewesten ontving. Deze verhief nog hetzelfde jaar Sasbout Vosmeer tot Vicarius Apostolicus, met de jurisdictie „in Holland en Zeeland en de overige streken van Nederduitschland, die op aanstoken van den satan van het kathoheke geloof en de gehoorzaamheid aan hun wettigen koning zijn afgevallen" (3 Juni 1592). In 1596 werd de nuntiatuur van Keulen in tweeën gesplitst en eene afzonderlijke voor Nederland te Brussel gevestigd. Ook een eerste stap tot de wederoprichting van het aartsbisdom Utrecht werd gedaan door de benoeming van V o sm"e e r tot aartsbisschop van Philippi i. p. i. welke titel in aarts-

x)2De schout van Delft ontving in 11 maanden 1300 gulden. Daarbij kwamen nog gewoonlijk recognitiegelden, die bij het spoedig veranderen en overlijden der priesters hoog konden loopen. Zie lijst bij Knuttel, II, bl. 302 vv.

a) Thus, Jaarboekje van Alb. Thijm, 1897, bl. 3 w. Dr. O. Brom, Briefwisseling der Vicarii Apostolici met den H. Stoel, Arch. v. d. Gesch. v. h. Aartsbisd. Utrecht, d. 32, bl. 456. v. ; d. 33, bl. 1 vv.

Sluiten