Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

382

§ 152. Inwendige ontwikkeling van het protestantisme.

Was deze leer voorheen vrij, thans werd ze verplichtend. Het fatalisme had gezegevierd, maar tevens de protestantsche godgeleerdheid der Nederlanden versteend. Tegen den blij venden staat, die voortduurde tot in de XIX eeuw, is eerst in onze dagen een terugwerking begonnen.

Wat later werd de Nederlandsch hervormde kerk door den strijd tegen de Voetianen en Coccejanen1) verontrust. Zoowel in ons land als elders had men door de ondervinding geleerd, dat de bijbel met ieders subjectieve uitlegging onmogelijk richtsnoer des geloofs kon zijn; en zoo was men van heverlede weder tot een vaste kerkleer gekomen. Hiertegen kwam Joannes Koch, verlatinizeerd Coccejus2), uit Bremen, eerst hoogleeraar te Franeker (1636), later te Leiden (1650), in hevig verzet. Zijn groote grief was, dat de stelling : de bijbel is Oods woord, noodzakelijk alle beteekenis moest verhezen, wanneer de bijbel aan de kerkleer ondergeschikt werd gemaakt. Hij bleef bij den bijbel alleen en kwam door de studie daarvan tot zijn foederaal- of verbondstheologie. Coccejus onderscheidde een natuurverbond en een genadeverbond. Het eerste, dat hij ook het verbond der werken noemde, bestond voor den val van Adam; het laatste, dat na den zondeval intrad, had, volgens hem een drievoudig verloop : vóór, onder en na de wet. Tegen deze theorie verhief zich de bekende Gisbertus Voetius8), hoogleeraar der Ulustre school te Utrecht en werd vooral gesteund door Essenius, zijn ambtgenoot aan dezelfde school, en Maresius, hoogleeraar te Groningen. Aan de zijde van Coccejus streed diens leerling M o m m a. Nieuw voedsel ontving de twist, toen Coccejus volhield, dat de Zondag met onthouding van alle werkzaamheid alleen steunt op het derde gebod. Hij werd nu als sabbathschender uitgekreten. Weldra kreeg de verdeeldheid aanhang bij het volk. De Voetianen waren stemmig en stijf, de Coccejanen meer weelderig in hun opschik. De namen der hoogleeraren werden een partijleus, vooral toen de politiek in den strijd zich mengde. Ih de worsteling tusschen de Staten en het huis van Oranje schaarden de Coccejanen zich aan de zijde der eersten en werden daarom niet zelden „Loevesteinsche factie"

1) Rauwerihoff, Geschiedenis van het Protestantisme, Haarlem 1871, He gedeelte, bl. 97 w.

a) Levens van Nederl. mannen en vrouwen, Deel III, bl. 35 vv.

8) Tijdspiegel, II, bl. 409. Levens van Nederl. mannen en vrouwen, III, 54 vv. Archief, Kist en Rooyaards, N. Arch. Deel I, bl. 35 vv.

Sluiten