Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

454

§ 159. Kerkelijke kunst.

beroemde B. E. Murillo (1682), wiens werken van een diep gevoel en meesterschap over de kleuren getuigen : wonderschoone Madonna's, de H. Franciscus en de Gekruiste1).

3°. Het rococo heeft voor de bouwkunst maar enkele goede kerken voortgebracht: te Einsiedeln, St. Gatten, Ottobeuren en de Paulinuskerk te Trier. De beeldhouwkunst schiep eenige heerhjke preekstoelen : Brussel, Leuven, Antwerpen, enz. Ook de decoratieve kunst leverde voortreffehjke werken.

4°. De kerkehjke muziek2) was sedert de strenge Vlaamsche meesters zeer diep gedaald, niet alleen door het ergerlijk verminken der tekstwoorden, maar vooral door het invoeren van wereldsche melodieën. Hevig werd op de kerkvergadering van Trente over dit misbruik geklaagd en een commissie ingesteld, die het duidelijk uitspreken van den tekst en overeenkomst tusschen muziek en woorden eischte. Dit achtten de kunstenaars onmogehjk. Alleen Palestrina (f 1594) durfde de moeilijkheid aan en componeerde zijn Missa pro Papa Marcello, waardoor zich Pius TV overtuigde, dat deze „nieuwe stijl" veel kon bijdragen tot stichting en verheerlijking van den godsdienst. Nadat de kerkvergadering van Trente beshst had : „Ab ecclesiis vero musicas eas, ubi sive organo sive cantu lascivum aut impurum aliquid miscetur .... arceant," werd Palestrina de hervormer der kerkmuziek. Hem volgden Eelix Anerio, Nanini(f 1607) enAllegri (j- 1652). Een reactie daarentegen ging uit van de humanisten te Florence en Venetië. Voorgoed onttrokken zij zich aan de leiding der liturgie, verachtten de kerkehjke melodieën en het contrapunt en gingen van de diatonische beweging tot de chromatische over. Toch hield de kerkehjke methode zich staande. Di Duitschland werkte Orlando di Lasso (f 1595), hofkapelmeester te München en schrijver van een groot aantal werken, ook Angelus Silesius en Bacil. Spanje had groote meesters in Morales en Vittoria, In de 18e eeuw ging echter de strengere richting opnieuw achteruit, zoodat de instrumentale muziek hoofdzaak werd ; vooral toen zelfs de groote meesters Mozart (f 1791), Haydn (f 1808) en Beethoven (t 1827) in dien zin werkten.

*) P. Lafond, Murillo, Biographie critique, Paris 1908.

a) Katschthaler, Kurze Geschichte der Kiroheninusik, Begensb. 1893. Molitor, Die nachtridentinische Choralreform zu Rom. 2 Bde. Leipzig 1901—1902. SeUmann, Angelus Silesius 1896. Bolland, Bach, Paris 1910.

Sluiten