Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

458

§ 160. Kerkelijk en zedelijk leven.

omdat de Sociëteit van Jezus en andere orden de eerste helft voor hun rekemng namen en vaak zelfs de opvoeding der candidaten tot het priesterschap voortzetten. Vooral had dit plaats in de universiteiten en faculteiten der Jezuïeten (Dillingen, Ingolstadt, Heidelberg, Rome, enz. enz.) en in de seminariën van St. Sulpice. Dat deze verordeningen der kerkvergadering van Trente zeer heilzaam hebben gewerkt, heeft de ondervinding geleerd. Jammer, dat de vijandige houding der staten niet zelden den geregelden loop der zoo heilzame opvoeding in de seminariën en daarmee den bloei van het kerkelijk leven bij de geestelijkheid verhinderde.

3°. Was het zedelijk leven bij het begin der hervorming zeer diep gedaald, tijdens de verwarringen, oorlogen en opstanden ging het noch in de protestantsche noch in de kathoheke gedeelten vooruit. Zoowel in ons land 2) als in Duitschland 3) en elders 4) zijn de gelijktijdige getuigenissen over de kathoheken niet vleiend. Dit kon ook, bij de schaarschte en het gehalte der geestelijkheid, niet anders. Een groot deel van den clerus in de noordehjke landen viel af, terwijl de aangroei zeer gering was. In ons land kon in het gebrek alleen door de regulieren worden voorzien. Li het bisdom Brixen werden van 1525—1529 slechts 2 priesters gewijd; niet beter was het te Weenen, waar de universiteit in 20 jaren 2 priesters voortbracht. Te Würzburg daalden de wijdingen in 17 jaren van 115 tot 6 (1521—1537). Voor het gedrag der geestelijken waren de stormen der hervorming niet gunstig. Bedroevend klonken de klachten over het concubinaat: in Beieren vond de visitatie van 1559 de meesten schuldig ; in het bisdom Sakburg zeer velen ; in Worms twee of drie onberispelijk. Da de Nederlanden was het volstrekt niets beter6). Het meest klaagde men over de kapittels. Ook in de kloosters, vooral in de Oostenrijksche, was het bederf binnen geslopen. Het volk 6) kon natuurlijk niet beter zijn dan de leiders. Dronkenschap, ontucht, spel en godslastering heerschten alom.

*) Zie Janssen VIII, 3 Theil. *) Zie boven § 149, No. 2.

3) Janssen, Geschichte des d. Volkes, VIII Band, S. 387—409. Archiv. f. Kulturgesch. B. XII, Jg. 1916.

4) Over Itahë zie Pastor, Geschichte der Papste III, S. 1 ff. TaechiVenturi S. J., Storia della Comp. di Gesü, 1, Boma 1910, p. 3—192.

5) Zie boven § 149, No. 2 Vgl. De administratione novi episcopatus Buremund. etc. in Havensius, Commentarius de erectione etc., p. 108.

•) Vooral Janssen, VIII Band, 3 Theil.

Sluiten