Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 162. Theologische dwalingen.

469

echter spraken anderen een meening uit, die bij nader onderzoek vijandig bleek aan de leer der Kerk en ten slotte voerde tot het noodlottige Jansenisme, dat nog heden in dwaling en verzet volhardt. Michaël Bajus (f 1589) werd geboren te Melin in Henegouwen (1513), studeerde te Leuven en was er vervolgens professor der philosophie en der H. Schrift. Al aanstonds was hij er op bedacht, de H. Schrift en de overlevering meer te doen waardeeren, dan dit, zooals hij zeide, door de scholastieken geschied was. Wijl men echter, volgens hem, de traditie al te zeer had verwaarloosd en haar inhoud vergeten en misvormd, zou hij aan het hcht brengen, wat in de Vaders en vooral in Augustinus tot dan toe verborgen was gebleven. Lang duurde het niet, of zijn leer verwekte opspraak en ergernis, bijzonder bijRuardus Tapper1) en Jodocus van Ravesteyn (Tiletanus), beiden* professoren te Leuven. Bajus ging echter zijn gang en noemde in zijn lessen Ruardus Ta pp er een Pelagiaan. Maar reeds in 1560 werden 18 stellingen door de Sorbonne veroordeeld. Tusschen 1560 en 1566 schreef Bajus een reeks van kleinere werken, die aUe met dwalingen waren besmet. Hieruit zond men naar Rome 79 stellingen, die van een valsch begrip aangaande de erfzonde, de vrijheid, de oorspronkehjke gerechtigheid des menschen, de genade en haar werking getuigen. Eenige der voornaamste, welke tevens het karakter der leer van Bajus doen kennen, moeten hier worden vermeld. Zonder den steun der genade Gods kan de vrije wil niet anders dan zondigen (27). AUe werken der ongeloovigen zijn zonden, en de deugden der wijsgeeren zijn ondeugden (25). Ook in datgene, wat de mensch noodzakelijk doet, pleegt hij een strafbare zonde (67). Alleen het uitwendig geweld (niet de inwendige noodzakelijkheid) strijdt met de natuurhjke vrijheid des menschen (66). De oorspronkehjke gerechtigheid was geenszins een nietverschuldigde verheffing der menschehjkë natuur, maar veeleer haar natuurhjke staat (26). God zou in den beginne den mensch niet hebben kunnen scheppen, zooals hij nu geboren wordt (55). Te zeggen dat de vrije wil ook maar een enkele zonde kan vermijden, is een Pelagiaansche dwaling (28). De onsterfelijkheid van den eersten mensch was geenszins een weldaad der genade, maar

') Du Pleaai8, Collectio judiciorum de novis erroribus, Paris 1724 ss. Tom. I, App. XXXVII.

Sluiten