Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 164. Ongeloof en voorbereiding tot de revolutie.

503

Philosophie, Mainz 1883, 2 Bde. Lange, Geschichte des Materialismus, 4 Aufl., Iserlohn 1882. Simon, Grundriss der gesch. d. neueren Philosophie in ihrer Beziehung zur Beligion 1920. Findel, Geschichte der Freimaurerei, 7 Aufl., Leipzig 1900. Dechamps—Jannet, Les Sociétés secrètes et la société, Paris 1884, 4 éd. 3 vols. Boos, Geschichte der Freimaurerei, 2 Aufl. Arau 1906. Brauweiler, Deutsche und Bomanische Freimaurerei 1917. Gruber S. J. Staatslexikon II3, 1909. Stimmen der Z. 1917, 1918, 1919.

1°. Algemeen is het thans erkend, dat de eigenlijke oorzaken der Fransche revolutie lagen op politiek en sociaal gebied1). Maar al waren ook die oorzaken voor het ontstaan der revolutie voldoende, zeker is het, dat de schrikwekkende hevigheid der omwenteling en haar geweldige verwoesting ten krachtigste werd begunstigd door de algemeen heerschende godsdienstige onverschilligheid en het zedelijk bederf. Dit zedelijk bederf had zijn oorsprong hoofdzakelijk in het rationalistisch en materialistisch ongeloof, dat vooral gedurende de XVIII eeuw in een vloed van geschriften verspreid werd. Een uitgemaakte zaak is het, dat het protestantisme en in zekere mate ook het Jansenisme en het Gallicanisme de goed bewerkte bodem was, waarop de zucht tot nieuwigheden en antikerkelijke denkbeelden welig tierde. Terwijl het Lutheranisme in geloofszaken alle gezag ontkende en daardoor natuurlijk het staatswezen ondermijnde, ging het Calvinisme terstond bij zijn eerste ontstaan democratisch en revolutionnair te werk, gelijk de omwentelingen in Nederland, Schotland en Engeland en niet minder de Hugenotische oorlogen in Frankrijk bewijzen. Het eigen onderzoek leidde noodzakebjk tot het verwerpen veler geloofswaarheden. Wie echter een dogma ontkent, vergrijpt zich aan Gods gezag, waarop ten slotte alle menschelijk gezag gegrondvest is.

Den weg van het oude geloof tot onverschilbgheid en ongeloof vormde de nieuwe philosophie. Tegenover de middeleeuwsche scholastiek verhief zich eerst de onchristelijke renaissance. Aanvankelijk tevreden met de Grieksch-Romeinsche wijsbegeerte, begon zij, begunstigd door het protestantisme, in de XVT en XVII eeuw een eigen systeem. De openbaring erkende men niet. Als eenige bron van alle ware kennis gold het menschehjk verstand.

l) H. v. Schijndel S. J., De liberale gezagstheorie in haar historische ontwikkeling. Studiën op godsd., wetenschappelijk en letterkundig gebied, 's-Hertogenbosch 1872, afl. VIII.

Sluiten