Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

506

§ 164. Ongeloof en voorbereiding tot de revolutie.

Na de hervorming kwijnde de bouwkunst en daarmee verloren ook de colleges der metselaars aan bloei. Bijzonder was dit in Londen het geval, toen de stad na den brand van 1666 weer hersteld en de St. Paul voltooid was. Reeds in het begin der XVTI eeuw had men ook niet-metselaars in die colleges opgenomen en ze accepted-masons genoemd. Drie dezer leden werden in 1717 te Londen de stichters der vrijmetselarij. In dat jaar vereenigden George Payne (archeoloog), Theophile Desaguliers en James Anderson (beiden dominees) de vier nog bestaande bouwcolleges tot een groote loge en kozen den 24 Juni een grootmeester. Hun doel was de symbolische opbouw des tempels of de volmaking van het menschelijk geslacht. Uit de oude colleges gingen de ceremonies en het symbolisme in de loge over. Sedert 1724 bestonden de graden van Meester, gezel en leerling. De richting der orde bleek uit de beslist deïstische constitutie van James Anderson. De instelling wilde boven de belijdenissen staan en zich rekenen tot de rebgie, „waarin alle edele menschen overeenstemmen, namelijk tot de natuurlijke religie." Het deïsme hielden de vrijmetselaars voor den wezenlijken en volmaakten godsdienst en beoogden daarom van stonde af aan de vernietiging van den bovennatuurbjken godsdienst, het christianisme en bijzonder het kathobcisme. „Den grooten Bouwmeester der wereld", den Schepper der natuurhjke, niet den Maker en Bestuurder der bovennatuurlijke orde, vereerde de loge. Oogenschn"nlijk streefde zij moreele en philanthropische doeleinden na, in werkelijkheid had zij het op de omverwerping van alle kerkehjke en staatkundige orde gemunt. Zeer snel breidde de vrijmetselaarsorde zich uit. De eerste loge buiten Engeland werd gesticht te Mons in 1721. Een andere ontstond hi 1725 te Parijs, in 1732 te Hamburg, reeds vroeger in 1729 in Ierland en Schotland, in 1731 in Amerika en verder, in de meeste landen. Het verbod der regeeringen van Weenen, Madrid en Napels kon de uitbreiding niet stuiten, evenmin de veroordeelingen van Rome : Clemens XII in 1738 : In eminenti ; Benedictus XIV in 1751 : Providas; Pius VII in 1821 : Ecclesiam ; Leo XII in 1825: Quo graviora ; Gregorius XVI in 1835 : Mirari ; Pius IX in 1865: Multiplices inter; Leo XIII in 1884: Humanum genus.

Toen tal van leden niet vonden wat ze hadden gezocht, verdichtte men een zeer oude afkomst der orde, voerde daaraan

Sluiten