Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 175. Theologische dwalingen.

579

beletselen. In 1874 en 1875 offerde men aan de vereeniging met de Grieken verscbülende dogma's en gebruiken: Onbevlekte Ontvangenis, aflaten, de deuterocanonische boeken, Filioque enz De derde synode (1876) voerde het Duitsche Rituale in, de vierde (1877) de landtaal ook voor de bturgie. Het caebbaat had men vastgehouden op voorstel van R e u s c h, die echter in 1878 de afschaffing niet kon verhinderen en zich terugtrok. Door dezen maatregel verloor bet oud-kathobcisme bijna overal aan achting. Volgens officieele opgave telde men in den bloeitijd (1878) niet meer dan 52.000 oud-kathobeken in Duitschland 1).

Dj. Oostenrijk werd ten gevolge der infawbwteitsverMaring het concordaat van 1855 opgezegd. Met bisschop R e i n k e n s kwamen de oud-kathobeken niet in verbindmg. Eerst in 1878 werden zij, na herhaalde vergeefsche pogingen, door een eenvoudige verordening in het rijksblad erkend. Tot bloei kwamen zij nooit.

Nog in 1872 vond men in Zwitserland slechts drie geestehjken, die de infalhbihteit verwierpen. Allengs werd hun aantal met enkele verloopen priesters vermeerderd. De ex-Karmeliet P. H y a c i n t h (L o y s o n) zou leven brengen in de oud-kathoheke kerk, hij slaagde echter niet. Evenmin richtte de keuze van Herz o g tot bisschop, of de bijeenkomst van R e i n k e n s, L o y s o n, bisschop Henry Cotterievan Schotland en H e r z o g iets uit. In Itahë stichtte L o y s o n zelfs te Rome een oud-kathohek comité (1872). Een drukke beweging ontstond te Napels door het optreden vanProta-Giurleo, Domenico Panellien Trabucco. Toch bleef de aanhang zeer gering.

In Spanje won de priester Antonio Aguayo voor zijn anti-infalhbihsme een vijftigtal ontevreden collega's.

In Frankrijk trachtte Loyson een Kerk op te richten en huwde eindehjk de wed. Meriman, die hij meegebracht had uit Engeland. Hij woonde te Parijs als Recteur de l'église catholique gallicane, die echter tot geenerlei beteekenis kwam.

Friedberg, Aktenstücke, die altkatholische RnwAmm»

mit einem Gründriss derselben, Tübingen 1876. Vgl. (Döllinger) Janus' Leipzig 1869; daartegen (Hergenróther) Anti-Janus, Freiburg 1870,

Sluiten