Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

was te verstaan? In geenen deele! Hier tasten de historici eerst recht in het duister; weer zijn er twee factoren, waarvan men twijfelt, welke het meest gewicht in de schaal moet leggen.

Zooals hierboven blijkt, neemt men in den regel aan, dat de accijns zéér vroeg een belasting op het binnenlandsch verbruik van dranken was, later op dat van een al grootere groep van artikelen (zoo ook Below en Sohms). Ook Roscher is van die meening, doch oordeelt daarnevens, dat die onderscheiding alleen (waarschijnlijk) historische waarde heeft en dan doelt op de meest omvangrijke groep belastingen, welke de praktijk „accijnzen" ging noemen, „doch zij voerden dien naam nóch uitsluitend, nóch omkatten zij in eenige tijdsruimte of gebied alle toen geldende gebruiksbelastingen". Eheberg, Finanzwissenschaft, blz. 127 komt tot ongeveer gelijke conclusie. Nog verder echter gaat Huiz^nga. De mogelijkheid erkennende, dat de Duitsche geschiedenis der accijnzen een andere is, vindt hij reeds in 1274, 1288 en 1325 te Haarlem, Brugge en Middelburg (de oudste hier te lande bekende) accijnsheffingen, die tal van posten bevatten van den meest verschillenden aard6). Die heffingen droegen het gemengd karakter van verbruiksbelasting en patent op de nering. Hij ziet evenals von Below de oorspronkelijke „accijns" als voortzetting der (in de eerste plaats voor de versterking der stad gebezigde) tollen6*).

Mag men aan de door hem gebezigde motieven niet waarde ontzeggen, zijn uitleg is niet in staat, verklaring te geven van het ook door hem erkende feit, dat overal, van de 13de eeuw af, tot ver na dien, de accijnzen op bier en wijn een bijzondere plaats innemen7), dat zij overal bij de opsomming der aan accijns on-

met een onjuiste gedachte aan Latijnsch accensus den jongeren vorm accyns hebben gemaakt. Hij verwijst voor verschillende afleidingen verder naar Ducange r.v. Is Franck's veronderstelling niet meer waarschijnlijk ?

6) Het merkwaardigste is wel (ontwerp ord. Middelburg 1325): een recht op verkoop van huizen !

°*) Voor die meening pleit ook de zooeven in het archief van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 1927 (blz. 19) gepubliceerde rekening van den hofmeester van Karei den Stoute van 1460, welke o.a. een betaling vermeldt van XII solz pour lassise van Rijnwijn te Geervliet, den bekenden tol.

7) De poortereed van Middelburg (eerste kwart 16de eeuw), blz. 403, deel 1 RGP) den burgers deed beloven, te handhaven het recht van Kerk, Heer en Stad, burgemeester en schepenen onderdanig te zullen zijn, „gheen wijn of bier buiten de excysen te halen ende voert al te doene, dat een goet poorter geboirt en de schuldigh is van doene". Zie ook nog de tafel van verboden uit de 15de eeuw in datzelfde deel: „voorbod van bier buyten

Sluiten