Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

begrip zich staande hield, wat dan tot uiting komt in de afzonderlijke plaats, die bieren en wijnen innemen, tot ten slotte, dat oerbegrip in onze tijden, althans principieel, weer de zege behaalt.

Die mogelijkheid behoeft te minder onwaarschijnlijk te worden geacht, omdat we een zelfde proces nog van 1579—1795 zien afspelen voor de landelijke middelen. De imposten der Unie van Utrecht — waarop ik thans de aandacht ga vestigen — waren oorspronkelijk tot een klein aantal beperkt. Zij namen echter gestadig in aantal toe, totdat haar karakter geheel verloren ging. In 1805, meer nog in 1816—1821, kwam men weer tot beperking.

III. Republiek (1568—1795) Provinciale accijnzen (imposten, middelen van consumptie, onbeschreven middelen).

Het is duidelijk, dat de benaming accijs, later accijns, speciaal gereserveerd wordt voor der steden accijnzen. Landelijke heffingen waren er feitelijk niet. Die kwamen eerst op, toen de afzonderlijke provinciën, graafschappen e.d. een soort zelfstandige belangengemeenschap gingen vormen, de verdediging speciaal tegenover anderen, nog meer, toen die provinciën gemeenschappelijke belangen kregen, zooals die tot uiting komen in den opstand tegen Spanje.

De Staten-Generaal der opgestane noordelijke en zuidelijke gewesten, ontworpen met veel onderlinge wrijving en zonder dat het blijkbaar ooit gelukte het in elk der gewesten volledig tot toepassing te brengen, in 1576 een soort stelsel van belastingheffing, tot bestrijding van de kosten van den oorlog. Kwam in dat stelsel ook accijnsheffing voor ? Te vergeefs zal men de benaming accijnzen zoeken. Doch we vinden er als generale of gemeene middelen o.a. in- en uitvoerrechten, de 100ste penning en als voornaamste de „imposten". Slechts een enkele maal (b.v. res. 21 Juli 1577 R. G. P. 26 blz. 493) wordt gesproken van „den assyse en de impost van de voirsz. staten," doch hoogstzelden komt die terminologie voor.

Bij het woord impost hebben we het aanknoopingspunt voor ons onderzoek naar landelijke accijnzen te zoeken. Boey (1723) acht het een synoniem van impositie, belasting. Volgens Beets beteekent dit woord: een heffing door de Overheid opgelegd, belasting, in het bijzonder accijns of inkomend recht. Kuipers vermeldt: van het Latijn: impositus, „opgelegd" ==' accyns.

Is die laatste uitleg historisch juist ?

Sluiten