Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

in de considerans alleen spreekt van gemeene middelen tout court, maar in den titel van gemeene middelen van consumptie en Place. 12 April 1633 blz. 327 Ned. Plb. Maar ook daarbij onderscheidde men niet zuiver. Zoo moest b.v. het middel van de inkomende Tabak, het inkomend graan, de gebakken pypen (Gr. Plb. VIII, Publ. St. v. Holland, 7 Oct. 1751) zoowel bij het passeeren door de Provincie, als bij invoer van consumptie in de provincie worden geheven. Eerst in de 18de eeuw dringt het inzicht door, dat dit onjuist is. Zoo overweegt de Waarschuwing van Gecomm. Raden van Holland van 25 April 1752 (Gr. Plb. VIII, blz. 1055), dat de Middelen van de ronde maat, inkomende granen, inkomende Tabak, en van de waag eigenlijk meer zijn middelen van commercie als van consumptie.

Ook in ander opzicht geeft men zich van den aard der heffing „Middel van consumptie" in engeren zin allengs beter rekenschap. De consumptie welke men in die middelen treffen wilde was die van den particulier; belasting der industrie lag dus niet in de bedoeling, doch desalniettemin werd zij door het groot aantal middelen van consumptie sterk getroffen. Daarom geeft Res. 26 Augs. 1752 (Gr. Plb. VIII, blz. 1057) tot soulaas en encouragement van der Wolkamme fabricque, Gr. Plb. VIII, blz. 1066 en Res. 12 Mei 1573 Gr. Plb. VIII blz. 1067, blz. 1068, blz. 1072 op het verzoek van ijzergieterijen, glasblazerijen, tegelbakkers „na het voorbeeld van andere Fabricquen", 27 Juni 1765 (Gr. Plb. IX, blz. 969) enz. vermindering van den impost van verschillende soorten brandstoffen. Het zou echter nog eenigen tijd duren vóór de wetgever de consequentie trok, het verbruik van alle accijnsmiddelen zoo mogelijk steeds geheel onbelast te laten voor alle industrieele doeleinden en daarnaast afschrijving of teruggaaf van de accijns te verleenen voor weer uit te voeren of uitgevoerde goederen. Dat beginsel werd, j». art. 105 Wet Indir. bel. 15 Sept. 1816, eerst ten volle aanvaard in art. 6 Stelsel wet 1821/Vóór de ordonnantie op den Invoer van Impost-subjecte speciën van Gogel (1805) die restitutie voor uit te voeren zeep, steenkolen en brandewijn principieel regelt, heb ik slechts sporen daarvan aangetroffen.

Overigens wordt in de wetgeving der Republiek allengs de hoofdbasis door de Unie van Utrecht voor de heffing der impos-

Zeeland zijn heffende en Gr. Plb. 9 blz. 559 „Provinciale Landts Imposten en Stad Excynsen".

Sluiten