Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19

invoer van impost subjecte speciën en 2o. binnenlandsch lastgeld, waag en ronde maat.

Op die wijze van heffing der belastingen, welke men binnenkort accijnzen zou noemen, komt het aan. Die nam men — en in nog sterker mate in 1815 — grootendeels over uit de Fransche wetgeving, welke bij die heffing de voorkeur gaf aan heffing bij fabricage, wat dus tegelijk in hield, heffing niet van den consument rechtstreeks, maar van den fabrikant, met de bedoeling, dat deze de op hem gelegde last zou afwentelen op den consument.

Zooals ik in den aanvang van dit opstel deed uitkomen lag aan de oud-Hollandsche (provinciale) heffing die ter laaster slete21) ten grondslag. Men belaste de goederen welke werden „uytgesleeten en de verdaen" (10 Juli 1578, R. G. P. 26, blz. 334).

Allengs was daar — als die heffingswijze op bezwaren stuitte

— wel eenige verandering ingekomen, maar de grondgedachte bleef. Men belastte zelden bij fabricage, meer bij invoer, in den regel bij verfcoop, liefst zoo dicht mogelijk bij den consument. {Vgl. Kemper, Rede 2de Kamer, 15 April 1819). Thans gaf — en daarom in hoofdzaak ging de strijd in 1816, 1818 en 1819 2S)

— de wetgever op Fransch voorbeeld de voorkeur aan heffing bij „de source". Men vreesde, dat de administratie met het stelsel de methodes der Fransche ambtenaren, die op de droits réunis toezagen, zouden overnemen; men achtte het onbillijk, de last en risico, die den consument moesten drukken, op den fabrikant te leggen en dat alles (vgl. rede Hogendorp 16 April 1819) terwijl aan de andere heffing maar „un seul inconvenient" was verbonden, n.1. dit: „II faudra excercer une surveillance plus étendue." Dat de wetgever recht had dit bezwaar in de grootere, landelijke, gemeenschap, bij steeds ingewikkelder maatschappelijke verhoudingen, als voornamer te rekenen, dan de voordeelen aan het andere systeem, zal nu ieder inzien.

In de oogen der tijdgenooten, was de heffing echter diermate van karakter veranderd, dat men daarbij al meer de afgeschafte

21) Zie nader Engels, blz. 364.

22) De belasting op de buitenl. prod. valt (vgl. art. 1 Intr. wet 15 Sept. 1816) onder de indirecte belastingen („of op de consumptieve middelen"), al werd zij dan, door de wijze van invordering, als 't ware ingelijfd bij de convoyen en ttcenten.

23) Zoowel in de Kamer als — blijkens verschillende pamfletten — daarbuiten. Zie b.v. pamflet Kon. Bibl. 24300.

Sluiten