Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

gegeven heeft, of men dit al of niet heeft willen voorkomen, of niet.

In den lateren landsheerlijken tijd treffen we haar wel is waar aan in den gecompliceerden vorm van a. consumptiebelasting, allereerst op de toen bekende dranken (bier en wijn), verder op alle mogelijke andere waren naar mate der stedelijke behoefte, b. belastingen op het „vertier", op het verkeer, c. belastingen op het bedrijf, (vgl. noot 11), als patent, maar onvermijdelijk waren het ten slotte in al die gevallen de consumenten, die de belasting hadden te dragen. Want zelfs t.a.v. de meest directe belasting, die op het inkomen, is allengs gebleken, dat, waar zij mogelijk is, dat is bij hen, die een bedrijf uitoefenen, dergelijke afwenteling niet door den wetgever kan worden voorkomen (vgl. o.a. Mem. van Antw. 3 Juni 1920 op het wetsontwerpMarchant tot-heffing eener buitengewone belasting tot afdoening der crisisschuld). Bij belastingen als de middeleeuwsche accijnzen was dit in het geheel niet te verhinderen.

Vervolgens zien wij, onder de Republiek, de stedelijke accijnzen zich al meer bewust als consumptiebelastingen (geheven zooveel mogelijk ter laatste slete en bij den invoer) ontwikkelen, terwijl andersoortige heffingen daarvan steeds meer worden afgescheiden; daarnaast komen de gewestelijke imposten op, waarvan zich evenzeer de consumptiébelastingen al nauwkeuriger een afgescheiden plaats verzekeren. Bij de geboorte van een stelsel van algemeene belastingen voor de staatkundige eenheid der Bataafsche Republiek, welke voor het bondgenootschappelijk stelsel van eertijds in de plaats treedt, scheidt Gogel — schoon niet altijd even logisch — de directe consumptiebelastingen (op dienstboden b.v.) van de indirecte af. Het aantal indirecte consumptiebelastingen wordt zeer sterk ingekrompen. Van de tot toen bestaande combinatie van gebruiks- en verbruiksbelastingen, zijn alleen een 6-tal verbruiksbelastingen overgebleven. De inlijving ten slotte brengt voor de laatste groep één heffingsgewijze, die bij de bron, op den voorgrond. De heffing is doelbewust economisch 26) een

as) Naar de leer der physiocraten zijn directe belastingen die welke naar vaststaande, van te voren ervaren daadzaken — persoonlijkheid, bezit, inkomen — en daardoor naar doorloopend bijgehouden gegevens — kadaster, kohieren — worden geheven. Onder indirecte rekenden zij die, welke verband houden met wisselende, meer of minder toevallige — derhalve niet vooruit vast te stellen — handelingen of gebeurtenissen en aan dien tengevolge ontstane verhoudingen vastknoopen. Zoodra die gebeurtenissen plaats hebben wordt de belasting naar de daarvoor vastgestelde tarieven

Sluiten