Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

indirecte geworden. Zij wordt bijna nimmer geheven van dengene, die volgens de bedoeling van den wetgever de belasting ook te dragen heeft, doch van een derde, van wien wordt verondersteld, dat hij die belasting zal „afwentelen" op den consument ^). En die derde is niet meer degene die het dichtst bij den consument staat, doch die er het verst af is.

Ten deele was dit reeds bij de „Hollandsche Imposrtiën" het geval; speciaal met die, welke bij den invoer werden geheven. Bij heffing van belastingen welke de consumptie treffen willen, moeten natuurlijk de met de binnenlandsch gefabriceerde aan de heffing onderworpen goederen overeenkomende ingevoerde waren aan een even hooge belasting onderworpen zijn, Anders toch wordt niet de geheele consumptie hier te lande van dergelijke goederen belast, doch torst de binnenlandsche fabrikant of bewerker de belasting en hij zal dit, tenzij in zeer exceptioneete gevallen, niet eens kunnen volhouden !

In verband met deze omstandigheid valt de materie van andere zijde te bezien. Wij hebben thans den blik te richten op een heffing, in vele opzichten met de accijnzen verwant, in andere daarvan onderscheiden, n.1. op de invoerrechten. Te onderzoeken valt, wanneer een bij invoer geheven belasting — niet naar de wettelijke terminologie, maar naar het wezen — als accijns is aan te merken, en in verband daarmede, waar de grens ligt tusschen invoerrechten 2S) en accijnzen. Juist de heffing bij de bron, die ook de accijnzen tot een bijna uitsluitende indirecte heffing maakt (in den zin van geheven van iemand anders, dan wie naar 's wetgevers bedoeling de belasting heeft te dragen), zooals de invoerrechten er óók een is, doet in de 19de eeuw de punten van overeenkomst meer naar voren komen.

geheven. Die onderscheiding wordt hier niet bedoeld. Toch zal men zien, dat zij in de praktijk leidt tot een verdeeling in gelijksoortige categoriën, als bij een splitsing in directe en indirecte belastingen, op basis van de afwentelingsleer.

27) Over het al of niet juiste dier leer zie men een van de algemeene afwijkende van Mr. B. J. F. Steinmetz in „De progressieve inkomstenbelasting en het Nederlandsch-lndiscfte belastingvraagstuk" bij J. H. de Bussy, Amsterdam.

2S) Bij het hier»volgende beschouw ik de invoerrechten bijna uitsluitend, als hetgeen zij ten onzent — althans in hoofdzaak — zijn, n.1. consumptiebelastingen. Bij invoerrechten welke protectie ten doel hebben, moet de beschouwing ten deele anders luiden.

Sluiten