Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

Evenmin laten zij zich uit over het oogenblik, waarop de belastingschuld ontstaat. (Vgl. nader Van den Dries, Praeadvies Broederschap Cand. Not. 1921, blz. 44).

Op grond o.a. van art. 6 Tabakswet en de voorschriften omtrent het krediet = uitstel van betaling (artt. 277 vlg. Algemeene Wet 1822) verleend aan de producenten, die de accijns aan den fiscus hebben te voldoen, ben ik van meening, dat de belastingschuld op den producent drukt en wel, in het algemeen, van het oogenblik der fabricage- (of andere) aangifte af. De producent is niet enkel het intermediair, dat ten bate van den Staat den accijns van den consument int. Uit art. 282 Alg. Wet volgt, dat de accijns in principe verschuldigd blijft, onverschillig of de goederen, waarop hij rust in consumptie worden gebracht of niet en dat hij reeds verschuldigd kan zijn, vóór hij is betaald. Wordt de vordering op den winkelier (b.v. bij faillissement) oninbaar, dan vervalt de afwenteling, doch de fabrikant heeft dan geen recht op restitutie van den reeds betaalden accijns. Onder de republiek werd zelfs afgewezen het verzoek der trafikanten om preferentie op de boedels van hun debiteuren wegens hunne betaalde en verschoote impost (Gr. Plb. IX, blz. 955). Men vgl. ten dezen nader Wetg. I. U. D. en accijnzen, blz. 551 vlg.

De belastingschuldige is dus de producent, die te betalen heeft zonder de zekerheid te hebben, het betaalde terug te ontvangen en die daarnaast de bezwaren draagt van de formaliteiten van toezicht bij vervaardiging en op vervoer, welke de accijnswet hem oplegt. Maar doelwit van de heffing is en blijft toch de op het tijdstip der heffing nog onbekende consument. Alleen om practische fiscaal-technische reden is de producent ingeschakeld.

„Een verteringsbelasting bedoelt niet van handelaar of industrieel een deel op te eischen van de baten van zijn bedrijf, ook „niet door wettelijke bepalingen de uitoefening van dat bedrijf „op eenigerlei wijze te belemmeren. Accijnzen, als verteringsbelastingen, bedoelen de bevolking te laten bijdragen in de geldelijke behoeften van den Staat, naarmate en op het oogenblik „dat zij zich veroorlooft het gebruik van zekere artikelen." (Rapport uitgebracht door de commissie uit den Bond van Distallateurs, inzake de wetgeving op het gedistilleerd, Juli 1915, blz. 10) 31).

31) Dat de fabrikant c.q. voor de heffing der belasting kosten moet maken en last ondervindt zal niemand tegenspreken. Ad art. 5 (Bijl. 325, 11) Weeldeverteringsbelasting werd nog gevraagd:

Sluiten