Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

Brengt de terminologie der wet geen definitie van het accijnsbegrip, aan de hand van de hiervóór door mij gegeven definitie krijgt men, vlei ik mij, een beter inzicht in den aard der belasting en in de redenen, die ertoe geleid hebben, ook de belasting op Gouden en Zilveren werken, de Rijwiel- en de Speelkaartenbelasting niet onder de accijnzen te rangschikken.

Afgescheiden van het feit, dat de belasting op Gouden en Zilveren werken zich reeds daarom niet tot accijnsheffing leende, omdat zij een samengestelde heffing is, ten deele retributie (essay loon) voor een door den Staat aan den kooper bewezen dienst (het „waarborgen") ten deele belasting wegens groot verteringsvermogen en omdat zoodanige bijzondere bepalingen, omtrent in- uit en doorvoer noodig zijn, dat het bij invoer veel meer op een inkomend recht gaat gelijken, is het middel geen verbruiks-, maar een gebruiksheffing en betreft niet het onmiddellijk direct inwendig of uitwendig ge(ver-)bruik van den mensch.

Een punt van overeenkomst met den accijns is, dat de verkooper betaalt, met het doel, indirect den kooper, op wien hij den belastinglast moet afwentelen, te treffen. Deze strekking behield zij vanaf de wet van 16 brumaire an 6, j°, 11 Maart 1807, j°, 26 Dec. 1813 Stsbl. 18, tot thans de gewijzigde wet van 18 Sept. 1852 no. 178. Maar — nieuw bewijs, dat men zich van den aard der accijnsheffing weinig rekenschap geeft — nu, in verband met gebleken misbruik de controle op de heffing is verzwaard, kan men in het verslag over het huidig jaar 1926—27 van den bond van Edelmetaalvereenigingen het volgende vinden:

„De Wet op den Waarborg, die langzamerhand in een accijns„wet is ontaard, blijft in haar tegenwoordigen vorm een hinderpaal voor de ontplooiing van de Nederlandsche goud- en zilver„industrie en zal door haar kortzichtigheid deze weleer bloeiende „industrie geheel vernietigen."

Hier valt hetzelfde op te merken, als hetgeen omtrent het in de Kamers over de weeldevertering behandelde werd gezegd:

De nog pas een eeuw geleden principieel aanvaarde heffingswijze acht men zóó inhaerent aan den aard der accijnsheffing, dat men, indien die aanwezig, geneigd is een belasting als accijns aan te merken. Dat de wetgever van 1821 de afzonderlijke positie van de heffing behield, kan echter niet anders dan juist worden genoemd.

Men zie Jansma „De nieuwe Tariefwet" blz. 38 vlg. over conflicten in die wet met de leer der accijnzen.

Sluiten