Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

De belasting op Speelkaarten is in Frankrijk wèl onder de Droits réunis gebracht, maar ook daar afzonderlijk droit de timbre sur les cartes genoemd, want het is evenmin bestemd voor direct in- of uitwendig verbruik van den mensch en zij behooren niet tot de hierboven aangeduide categorieën. Sommigen noemen haar een weeldebelasting; Tyszka, Finanzwissenschaft blz. 203, rangschikt ze onder de „tarifierte Vermögenssteuer".

Dat de Rijwielbelasting geen accijns is, behoeft na het bovenstaande geen nadere verklaring; uit het bepaalde bij de artikelen 8 Rijwielbelastingwet en 20 en 28 Speelkaartenwet vloeit voort, dat ook het jus constitutum terecht inzag, dat deze belastingen niet daaronder behooren, doch dat men overigens zóóveel overeenstemming tusschen haar en accijnzen ziet, dat men verschillende voor alle accijnzen geldende bepalingen op haar van toepassing meende te moeten verklaren. Van de Wegenbelasting geldt hetzelfde als van de Rijwielbelasting. Onlogisch echter acht ik het, dat zij niet als „Droit réuni" is aangemerkt, als zoodanig te ressorteeren onder de Afd. Accijnzen van het Departement van Financiën, doch bij de afd. Directe Belastingen is ondergebracht. Ik schrijf dit daaraan toe, dat de wet niet bij Financiën, doch bij Waterstaat is ontworpen.

XI. De accijnzen en het gemeentelijk belastingstelsel.

In den aanvang van dit opstel wees ik er op, dat de vraag, welke belastingen onder accijnzen zijn te verstaan, belang kan hebben bij het bepalen van het bedrag, waarop de gemeenten aan Rijksuitkeering recht hebben. Niet in dien zin, dat het 1.1.1. (in 1865) aan gemeentelijke accijnzen gehevene, een der maatstaven van de te verleenen uitkeering zal moeten zijn, want inwonertal en aard van de bevolking van verschillende gemeenten en de onderlinge verhoudingen zijn thans geheel anders geworden. En het zijn juist, in een normaal belastingstelsel, de accijnzen, die, naar de geschiedenis leert, men het gemakkelijkst kan regelen naar de behoeften. Evenmin in dien zin, dat uitgegaan zou mogen worden van een toestand, zooals die zich zou hebben ontwikkeld, wanneer de gemeenten in het regelen hunner belastingen geheel vrij waren geweest. Want dit waren zij óók in 1865 niet; een wijs beleid vordert, dat aan de gemeenten èn in verband met de eenheid, welke behoort te bestaan tusschen Rijks- en Gemeentebe-

Sluiten