Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

lastingen èn in verband met de uit de historie blijkende misstanden welke ontstaan, wanneer de gemeenten uit deze gemakkelijk te vergrooten bron zonder beperking kunnen putten, zekere beperkingen worden opgelegd. Doch wèl zou rekening moeten worden gehouden met het feit, dat tengevolge van het uitsnijden van een integreerend deel uit het gemeentelijk belastingstelsel, dat voor het vervullen van een vrijwel volledige overheidstaak de middelen moet verschaffen, een bijzondere compensatie ware te verleenen. Want het was niet omdat deze belastingen als zoodanig niet voldeden, maar omdat zij het verkeer belemmerden, dat men ze afschafte.

Het is echter de vraag, of voor een compensatie, die met deze factoren rekening houdt, een vorm is te vinden.

In verband daarmede is het van belang op te merken, dat menige gemeente intusschen een bron van inkomsten heeft verworven, welke bij het afnemen eerst en het ophouden later der accijnzen, al ruimer is gaan vloeien en in tal van opzichten een zelfde functie kan uitoefenen als de accijnzen eertijds.

XII. Accijnzen en winsten uit overheidsbedrijven 41). Het aequivalent voor het vervallen der gemeentelijke accijnzen.

Men pleegt deze winsten niet als belastingen aan te duiden. Uit art. 175 lid 2 der Grondwet is op te maken, dat die wetgever ze niet als zoodanig beschouwt, doch de vraag is, of zij in vele gevallen, sinds het maken van een „matige winst" wettelijk is gesanctionneerd, in feite niet als belastingen zijn aan te merken. Legt men de scheidslijn, en dit is de meest gangbare leer42), tusschen belastingen en retributie's enz. daar, dat tegenover belastingen geen bepaalde tegenprestatie's der overheid staan, tegenover retributies wèl, dan is de vraag reeds beslist. Die onderscheiding heeft echter weinig zin en de wettelijke techniek is daarmee even-

41) Slechts volledigheidshalve vestig ik de aandacht op de z.g.n semioverheidsbedrijven. Van het vervullen van een eigenlijk gezegd overheidstaak en het vorderen in verband daarmede van een zeker winstpercentage is daarbij niet de rede. Eenig verband zou men kunnen aanwijzen bij de heffing van een deel der winst van de Zoutindustrie te Boekelo.

Het contract met een dergelijke maatschappij, bij het verleenen b.v. eener concessie, gemaakt, houdt in, dat de Staat participeert in de winst, voor zoover die een zeker percentage overschrijdt. Ook in dergelijke gevallen is van belastingheffing geen sprake

42) Alzoo Mr. N. C. M. A. van den Dries in zijn rede over Bestemmingshefifngen voor de Ver. voor Belastinwetenschap. Vgl. W. P. N. R. 2996.

Sluiten