Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

min in overeenstemming. Is het b.v. met het registratierecht, dat zijn bestaansrecht heet te hebben in het geven van een „date certaine" aan de betrekkelijke stukken dan ook niet een retributie?43) „Belasting is heffing voor publieke behoefte" betoogt Thorbecke, Over plaatselijke begrooting, blz. 61. Legt men daar het criterium, dan is t. a. v. die winsten na te gaan, of de overheid, door het stichten en exploiteeren van b.v. een waterleiding, zich al dan niet begeeft op het terrein van haar bestuurstaak, of dat zij zich slechts het maken van winst voor oogen stelt, m. a. w. doet, wat ieder particulier ondernemer even goed zou kunnen doen. Naar hedendaagsche begrippen, bedenkende ook dat hoofdfunctie der gemeentelijke overheidstaak „welvaartspolitie" is, mag men, en zeker wanneer die watervoorziening ter plaatse bezwaren oplevert, wanneer de gezondheidstoestand het stichten eischt, dit wel aannemen, te meer waar het geproduceerde water mede gebezigd wordt voor de publieke voorziening.

Doch zijn dergelijke winsten ook heffingen? Onder heffing (van belasting) dient men ten deze te verstaan, het door de overheid afnemen van bepaalde bedragen, krachtens haar heerschersmacht (tot voldoening der publieke behoefte). De burger is te dien aanzien niet vrij. Anders is het in den regel met het betrekken van producten van overheidsbedrijven. Wie petroleum wil blijven gebruiken, behoeft zich niet bij gas- of electriciteitsbedrijven te laten aansluiten en wie een regenbak heeft, kan zich daarvan, zoo hij wil, blijven bedienen. En men zal dat juist doen in die gevallen, waarin de overheid blijkens haar tarieven niet zoozeer het vervullen van haar publieke taak alleen, doch tevens het verkrijgen van voordeel op het oog heeft, m. a. w. die tarieven zóó inricht, dat er winst wordt gemaakt, dus dat van een eigenlijke „belasting" sprake zou wezen. Dwang in elk geval is hier uitgesloten.

Anderszijds is dit juist weer een punt van overeenkomst met de indirecte verbruiksbelastingen, van welke men immers als bijzonder voordeel noteert, dat zij — mits niet op voorwerpen van noodwendig verbruik gelegd — het ieder zelf in de hand geven, er aan mede te betalen of niet.

Tegen die „vrijheid" kan men ook in beide gevallen aanvoeren, dat al moge dit theoretisch zoo zijn, in de praktijk daarvan niet

4S) Anders Treub, M. v. T. Ontw. Bel. St. 1916, die dit recht als belasting op het rechtsverkeer verdedigt.

Sluiten