Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

die iets aan gemeentebelasting kunnen betalen) worden verkregen. Dat de financieele geste van de gemeenschap van het eene gelijksoortige voordeden ondervindt als van het ander.

Dit zoo zijnde ligt de conclusie voor de hand, dat in stede van den onder XI aangegeven weg een veel eenvoudiger middel is te vinden, om een aequivalent aan de gemeenten te geven voor het vervallen van de gemeenteaccijnzen, dan door een direct verband te leggen tusschen de opbrengst der accijnzen en de gemeentekas.

Men geve aan de gemeenten een grootere mogelijkheid tot het maken van winst uit de overheidsbedrijven speciaal om redenen als boven ontvouwd. Voor zooveel noodig geve men voor die heffingen grenzen aan en scheppe c.q. onderscheidingen t.a.v. directe gebruikers en industrieën, onderscheidingen ook, verband houdende met de draagkracht der verschillende groepen directe gebruikers, blijkende uit de mate en aard van het verbruik, zooals die ook reeds in verschillende gemeentetarieven te vinden zijn.

Doet men dat, dan verkrijgt men voor de grootere gemeenten een behoorlijk aequivalent, maar ook alleen in die kan het gemis worden gevoeld.

Op deze wijze is n. m. m. al wat er onbevredigends en oneerlijks is èn in het bestaan van winsten uit overheidsbedrijven èn in het ontbreken in het gemeentelijk belastingstelsel van accijnzen, althans wat het meerendeel, de belangrijkste, gemeenten betreft, weg te nemen. Er zijn gemeenten, die, wellicht tegen letter en geest der betrekkelijke wetsbepalingen, hun tarieven reeds op een en ander hebben ingesteld. Doch die gemeenten hebben zich dan ook over het gemis van de mogelijkheid van accijnsheffing niet te beklagen. En is dit geval aanwezig, dan levert die ontwikkeling een doublure van wat de geschiedenis der belastingheffing leert, n.1. deze waarheid, dat de rechtsgrond der heffing in den regel eerst wordt opgespoord en verklaard, nadat eene belasting reeds lang in werking is. Het is de nood der schatkist, die tot het heffen van nieuwe belastingen doet besluiten. De van oudsher om haar vindingrijkheid vermaarde fiscus gevoelt telkens intuitief waar de benoodigde gelden het minst bezwaarlijk materieel, het meest practisch fiscaal-technisch, zijn te halen, hoe zij, zonder productie en verkeer, handel, landbouw en nijverheid meer dan volstrekt noodig is te schaden, zonder kapitaalvorming en spaarzin meer dan noodzakelijk aan te tasten, zich die gelden kan verschaffen. Schiet haar inzicht daarbij te kort, dan sterft zoodanige belasting binnen

Sluiten