Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

§ 2. Omtrek en hoofdinhoud der wet.

De wet regelt het levensverzekeringbedrijf, niet het verzekeringbedrijf in het algemeen. Ook bij de vroegere Koninklijke besluiten en in de achtereenvolgende wetsontwerpen had men zich steeds tot regeling van het eerstbedoelde bedrijf (bij het K. B. van 9 December 1845 had men de voorschriften ook nog toepasselijk verklaard op de ziekte- en ongevallenverzekering) beperkt. Wel zijn débacles, die zich in en na den oorlog in het schadeverzekeringbedrijf hebben voorgedaan, aanleiding geweest, dat men, ook bij de behandeling van het wetsontwerp op het levensverzekeringbedrijf, op wettelijke regeling van het schadeverzekeringbedrijf heeft aangedrongen. Maar van eene algemeene publieke opinie omtrent de noodzakelijkheid daarvan als aangaande het levensverzekeringbedrijf is tot dusverre niet gebleken.

De wet heeft voorts alleen betrekking op de eigenlijke levensverzekering, niet op ongevallen- ziekte-, en werkloosheidsverzekering en dergelijke, ook niet op ondernemingen, die zich verplichten tot het doen van praestaties in natura, bv. tot het leveren van begrafenissen. Uit het 2de lid van art. 2 volgt echter, dat in eene overeenkomst van levensverzekering tevens mogen worden opgenomen verplichtingen, verband houdende met ongevallen en ziekte, en verplichtingen tot het doen van leveringen of verrichtingen in natura. De Regeering meende, dat opneming van de zuivere begrafenisfondsen, die eene geldelijke uitkeering niet doen, onder deze wettelijke regeling niet gewenscht was, omdat wetenschappelijke methodes voor de waardeering dier verplichtingen niet bekend zijn.

De wet omvat voorts zoowel de eigenlijke levensverzekering als de zgn. volksverzekering, onder welke laatste verstaan wordt verzekering voor kleine bedragen tegen betaling van weekpremiën, welke door agenten of boden ten huize van den verzekerde opgehaald worden. De zgn. volksverzekeringen waren daarentegen uitdrukkelijk buiten de voorgestelde regeling gelaten door het Regeeringsontwerp van 1911—1912. Van wege het zeer groote publieke belang, betrokken juist bij de volksverzekeringen, die gesloten worden door het overgroote deel der Nederlandsche bevolking, heeft de wet deze zeker terecht binnen den kring der staatsbemoeiing getrokken. Het is voorts onverschillig, door welke soort van rechtspersonen de verzekeringen worden gesloten. Wel mogen na de totstandkoming der wet nieuwe ondernemingen slechts opgericht worden in den vorm van eene naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij met (behoudens eenige weinig beteekenende uitzonderingen) één millioen gulden maatschappelijk of waarborgkapitaal. Maar indien de ondernemingen op dat tijdstip bestonden, kunnen zij ook zijn vereenigingen van vóór en na de wet van 1855, coöperatieve vereenigingen en stichtingen. Zonder het bestaan van

Sluiten