Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

voegden een min of meer groot aantal deelhebbers zich samen met de afspraak, dat de rente van het kapitaal, dat zij bij den aanvang samenbrachten, telken jare onder de overlevenden zou worden verdeeld, totdat na een bepaald aantal jaren het kapitaal zou worden verdeeld onder de dan overlevenden. Eene spaarkasonderneming daarentegen vormt elk jaar een of meer spaarkassen, in ieder van welke spaarkassen een onbeperkt aantal personen gedurende een jaar kunnen deelnemen. Na afloop van het jaar van deelname wordt de spaarkas gesloten en vloeien aan haar toe de jaarlijksche stortingen, waartoe de deelhebbers zich verbonden, na aftrek van een aan de onderneming toekomend administratieloon. Na een bepaald aantal bv. 12, 15 of 20 jaren, wordt de gemeenschappelijke kas onder de dan nog levenden verdeeld. Meestal wordt door de spaarkasonderneming de gelegenheid gegeven aan de deelhebbers om zich bij haar voor eene bepaalde premie tegen het door overlijden te lijden nadeel te verzekeren (zgn. contraverzekering). De afzonderlijke spaarkassen zijn niet aparte rechtspersonen; ook behooren de tot eene bepaalde spaarkas behoorende bezittingen niet in eigendom toe aan de gezamenlijke deelhebbers van die spaarkas, maar aan de spaarkasonderneming zelve. Indien men aan een afzonderlijke spaarkas wel den vorm van een juridischen persoon bv. van eene onderlinge maatschappij zou geven, zou krachtens de wet zulk een nieuwe spaarkas slechts geopend kunnen worden met een waarborgkapitaal van minstens één millioen gulden. En het geven van zulk eene juridische constructie aan eene spaarkas, dat de deelhebbers daarin als de gezamenlijke eigenaars van de bezittingen daarvan zouden moeten worden beschouwd, is voor toekomstig te openen spaarkassen reeds daarom uitgesloten, omdat die deelhebbers dan zouden moeten worden beschouwd als natuurlijke personen, die gezamenlijk hetlevensverzekeringbedrijf zijn gaan uitoefenen, hetgeen de wet aan natuurlijke personen niet veroorlooft te doen na hare inwerkingtreding.

Ten slotte vallen onder de omschrijving der wet de zgn. omslagfondsen. Bij deze fondsen verbinden zich de leden om telkens wanneer een van hen overlijdt eene bijdrage te storten, terwijl de gezamenlijke bijdragen dan geheel of tot een bepaald maximum aan de nabestaanden worden uitgekeerd. Dergelijke fondsen dragen de kiem der ontbinding in zich, omdat naarmate de leden ouder worden en het aantal sterfgevallen dus talrijker, de leden vaker bijdragen zullen hebben te storten, hetgeen op zijn beurt weer de toetreding van nieuwe leden zal tegenhouden en de verhouding tusschen sterfgevallen en bijdragende leden spoedig zeer ongunstig zal doen worden. Het ontwerp-Molengraaff sluit dergelijke omslagfondsen van de toepassing der wet uit, omdat het met levensverzekering in wetenschappelijken zin niets uitstaande heeft. De tegenwoordige wet heeft dat niet gedaan. Het K. B. van 18 Juli 1925,

Sluiten