Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19

ontwerp der Vereeniging. In de toelichting van het ontwerpNiemeyer werd te kennen gegeven, dat eene noodregeling niet gewenscht scheen, omdat de Verzekeringskamer veel zou kunnen doen om débacles te voorkomen bv. door tot overdracht, samenvoeging of zelfs tot dadelijke vereffening te adviseeren, dat het redden eener wankele onderneming steeds eene quaestie zal zijn van omzichtig beleid en dit eerder verzekerd zal zijn wanneer de directeuren verantwoordelijk blijven dan wanneer zij onder zekere voogdij worden gesteld en dat insolventie eener lev.verz. maatschappij een veel minder omlijnd begrip is dan het „in den toestand verkeeren, dat men heeft opgehouden te betalen", dat voor faillissement wordt geëischt. De beide eerstgenoemde argumenten kunnen zeker niet onjuist genoemd worden, prévenir est mieux que guérir, doch al spoedig na de publicatie van het ontwerp bleek, dat waken in de toekomst niet kan wegnemen onherstelbare verliezen in het verleden en dat deze verliezen het noodzakelijk maakten om de mogelijkheid van reconstructie der verzekeringen met of zonder overdracht aan andere maatschappijen te openen. Gevolg van dit inzicht was de zgn. Noodwet van 29 April 1921, Stbl. no. 695, en het opnemen van een dergelijke regeling in de wet op het lev. verz.bedrijf. Terecht schreef de Regeering in de toelichting tot de Noodwet, dat in de moeilijkheden, waarin sommige lev. verz. maatschappijen hier te lande verkeerden, niet zou kunnen worden voorzien door de wettelijke regeling der surséance van betaling, noch door de uitstelwet van 4 Sept 1914, Stbl. no. 444, noch door faillissement. Bij surséance van betaling moet het vooruitzicht bestaan, dat men in de toekomst wel aan zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, terwijl bij de bedoelde lev.verz.maatschappijen dit vooruitzicht juist niet bestond; ook op de uitstelwet zou wel geen beroep kunnen worden gedaan, omdat al zou men er ook in slagen aan te toonen, dat de ongunstige toestand der finantiën uitsluitend of hoofdzakelijk te wijten ware aan de toenmalige buitengewone omstandigheden, men wel niet het tijdelijk karakter der moeilijkheden zou kunnen aannemelijk maken; en faillissement zou geene goede oplossing zijn le niet, omdat de bedoelde maatschappijen meestal nog jaren lang kunnen doorgaan met hare opeischbare schulden te betalen, zoodat zij niet tegen haren zin in staat van faillissement kunnen worden verklaard en 2e niet, omdat juist voor de verzekerden niets zoo nadeelig is als faillissement, omdat in dat geval alle uitkeeringen worden stop gezet en na de verificatie van de talrijke vorderingen de verzekerden ontvangen eene som in eens, waarmee zij niet geholpen zijn, daar hun belang meebrengt, dat zij verzekerd blijven.

Aan de noodregeling heeft men den vorm gegeven van de surséance van betaling, met dien verstande, dat niet behoeft te worden aangetoond, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijne schuld-

Sluiten