Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

Het Regeeringsontwerp van 1911—1912 liet het onderwerp ongeregeld.

De regeling van het ontwerp-Niemeyer komt in hoofdzaak overeen met de thans geldende. Vereischte voor de overdracht was echter, dat 9/io der betrokken polishouders de overdracht hadden goedgekeurd. Het oorspronkelijke ontwerp van wet veranderde dit vereischte van goedkeuring van Vio der betrokken polishouders in goedkeuring door polishouders, vertegenwoordigende meer dan 3/4 van het betrokken verzekerd kapitaal. Bovendien liet het, in tegenstelling met de thans geldende wet, ook indien de Verzekeringskamer en, bij beroep tegen hare beslissing de Koningin, tegen de overdracht bezwaar maakte, toch nog de mogelijkheid van overdracht open, echter niet dan onder voorwaarde, dat aan de polishouders te voren kennis gegeven was van de voorgenomen overdracht en van de aan den verzekeraar door de Verzekeringskamer meegedeelde uiteenzetting van de bezwaren tegen de overdracht. Bij deze laatste overdracht zoude deze slechts privaatrechtelijke werking hebben tegenover de polishouders, die na die kennisgeving en die mededeeling met de overdracht zouden hebben ingestemd. In het V.V. maakte men tegen de voorgestelde regeling bezwaar, omdat de geëischte goedkeuring der polishouders overdrachten zou bemoeilijken, daaromtrent gewoonlijk eene zeer spoedige beslissing noodzakelijk is en de goedkeuring bij de volksverzekering een wijd veld voor geldelijke beinvloeding der tusschenpersonen zou openlaten. Voorgesteld werd den invloed van polishouders uit te sluiten of dezen in elk geval hiertoe te beperken, dat bij verzet van polishouders, vertegenwoordigende meer dan i/4 deel van het verzekerde kapitaal, de overdracht niet zou kunnen plaats hebben, en in geen geval eene overdracht toe te laten indien de Verzekeringskamer of, in hooger beroep, de Kroon, zich daartegen had verklaard. In den laatstbedoelden zin werd daarop de regeling van het O.O. bij de M.v.A. gewijzigd. Aan polishouders eiken invloed te ontzeggen achtte de Regeering niet gewenscht. Zie verder de aanteekeningen op de artt. 34—38.

§ 5. Buitenlandsche maatschappijen.

Vóór het totstandkomen der wet bestond, zooals bekend, voor buitenlandsche maatschappijen algeheele vrijheid om hier te lande het levensverzekeringbedrijf uit te oefenen. Eene concessie, het voldoen aan bepaalde voorwaarden, het deponeeren van geldwaarden, het hebben van een vertegenwoordiger hier te lande was daartoe niet yereischt. Het O. O. ging van het beginsel uit, dat bij eene regeling van het levensverzekeringbedrijf ten aanzien van binnen-

Sluiten