Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

en buitenlandsche maatschappijen de gelijkheid moest worden betracht en dat volstaan kon worden, naast de voor alle levensverzekeringmaatschappijen voorgeschreven openbaarheid en de contróie van de Verzekeringskamer, met de verplichte benoeming van eenen vertegenwoordiger en met het eischen van zekere waarborgen met betrekking tot het rechtskarakter der ondernemingen. Wat dit laatste betreft, eischte het, dat de buitenlandsche onderneming als rechtspersoon is aan te merken. Ten aanzien van het aandeelen- of waarborgkapitaal moesten zij voorts voldoen aan soortgelijke eischen als de binnenlandsche maatschappijen. Bovendien werden de in de koloniën gevestigde maatschappijen als buitenlandsche beschouwd. Men zag er van af, om bij het ontwerp tevens het koloniale verzekeringswezen te regelen, omdat men meende dat het vraagstuk in de eerste plaats onder oogen behoorde te worden gezien door de Koloniale Regeeringen en in elk geval de Nederlandsche Verzekeringskamer geen toezicht kon oefenen op alle ondernemingen, welke in de koloniën en niet in Nederland werken, en de toestanden op het gebied van levensverzekering in de koloniën in vele opzichten zoo verschillen van de Nederlandsche, dat ook daarom eene regeling voor de koloniën in dit ontwerp niet thuis hoorde. Wel was naar de meening der Regeering noodig om Hoofdstuk IV ook voor de koloniën verbindend te verklaren, opdat de bijzondere staat, waarin een maatschappij volgens dat Hoofdstuk zou kunnen verkeeren, ook in de koloniën zou kunnen worden erkend. (M. v. T. § 11).

In het V.V. (§ 7) verklaarden vele leden, dat in het wetsontwerp de belangen der Nederlandsche polishouders bij buitenlandsche maatschappijen onvoldoende beschermd werden. Naar hun oordeel zou 1e publicatie van uitvoerige gegevens het Nederlandsche publiek niet in staat stellen zich een beeld te vormen van den toestand dier maatschappijen en zou van contröle op de juistheid der verstrekte gegevens door de Verzekeringskamer geen sprake kunnen zijn. Noodig zou zijn, dat die maatschappijen hier te landen bezittingen hebben, voldoende tot dekking van de premiereserve voor haar Nederlandsche portefeuille, waarop bij insolventie e.d. verhaal te vinden zou zijn.

Indien men mocht meenen, dat buitenlandsche maatschappijen hierdoor een voorsprong zouden krijgen op binnenlandsche, zou men ook bij binnenlandsche maatschappijen aan de verzekerden een voorrecht als bij de buitenlandsche kunnen toekenen. Als de Regeering tegen het door hen voorgestane beginsel bezwaar mocht hebben, dan achtten zij het noodig de buitenl. maatschappijen hier te lande niet tot de uitoefening van het bedrijf toe te laten. Sommige leden achtten het gewenscht voor te schrijven, dat binnenl. maatschappijen hare bezittingen, verband houdende met de binnenlandsche obligo's, binnenslands moeten hebben, wat ook van gewicht

Sluiten