Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

Nadat op de M. v. A. dd. 3/4/5 Mei 1922 het Verslag dd. 18 Mei 1922, waarbij op de kwestie der buitenlandsche maatschappijen niet werd teruggekomen, was gevolgd, diende de Regeering als gevolg van tusschen de Commissie van Rapporteurs en de Regeering gepleegd overleg op 10 October eene Nota van wijzigingen in, waarvan de belangrijkste was de aan buitenl. maatschappijen opgelegde verplichting om hier te lande waarden tot dekking der premiereserve aanwezig te hebben (het tegenwoordige artikel 29). De uitwerking van het beginsel zou overgelaten worden aan eenen algemeenen maatregel van bestuur, waarover de Verzekeringskamer zou worden gehoord. Zij is ten slotte geschied bij K. B. van 29 Januari 1924, Stbl. no. 24. Zie omtrent den hoofdinhoud daarvan de toelichting op art. 29.

Het denkbeeld om buitenl. maatschappijen hier te lande waarden tot dekking der premiereserve te laten deponeeren, was niet nieuw. Ook voorafgaande ontwerpen hadden zulk een dépöt reeds geëischt. Het 1ste onwerp-Reesema, waarin het beginsel van vrijheid en openbaarheid vrij volledig tot uitdrukking was gebracht, vorderde nog slechts, dat buitenl. maatschappijen, behalve dat zij hier te lande een vertegenwoordiger moesten hebben en moesten overleggen statuten, tarieven, en wijzen en voorwaarden van verzekering, een waarborgsom zouden storten op bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen wijze. Het ontwerp-Molengraaff eischte deponeering van de reserve hier te lande in bepaalde waarden, en wel in onroerend goed hier te lande, in hypotheken daarop en in effecten, die in bewaring zouden moeten worden gegeven bij de Nederlandsche Bank. Deze waarden zouden bij voorrang verbonden zijn voor de nakoming der verplichtingen uit in Nederland loopende verzekeringen.

Het ontwerp der Vereeniging kende behalve de deponeering van de reserve in waarden hier te lande, waarop een voorrecht gevestigd zou zijn, nog een te stellen zekerheid van ƒ 100.000.—. Ook buitenlandsche maatschappijen zouden volgens dat ontwerp hier te lande onder voogdij geplaatst kunnen worden.

Het Regeeringsontwerp van 1911—'12 eischte een dépöt van effecten, ter waarde van ƒ 500000.—, bij de Nederlandsche Bank. Schuldeischers uit andere bedrijven dan het levensverzekeringbedrijf zouden geen verhaal hebben op de inkomsten en bezittingen van het levensverzekeringbedrijf noch op de gedeponeerde waarden.

De buitenlandsche wetgevingen eischen bijna alle van buitenlandsche maatschappijen deponeering van de reserve in waarden binnenlands. Een uitzondering daarop maakt Engeland. Hier eischt de Assurance Companies Act van 1909 gelijkelijk van binnen- en buitenlandsche maatschappijen deponeering van een bedrag van £ 20.000 bij den Paymaster-General. Uit een rapport, op 31 Juli

Sluiten