Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

1906 uitgebracht door een Select Committee uit het Hoogerhuis, i) blijkt welke redenen zijn aangevoerd om van buitenlandsche maatschappijen niet deponeering van de premiereserve binnenlands te eischen. Zij zijn:

1°. dat zulk een systeem in strijd zou zijn met de tot dusver gehuldigde beginselen,

2°. dat het in strijd zou zijn met het beginsel, dat alle bezittingen van eene verzekeringmaatschappij gelijkelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van alle polishouders,

3°. dat, indien het werd aangenomen, het ongetwijfeld zou leiden tot represailles van de zijde van andere Staten,

4°. dat zulk een voorschrift het publiek in den waan zou brengen, dat de solventie van zulke maatschappijen door de Engelsche Regeering was gegarandeerd,

5°. dat zulk een dépöt den schijn zou wekken van een wettelijke basis van waardeering, hetgeen eerder de strekking zou hebben om de reserves te verzwakken dan om die te versterken,

6°. dat zulk een dépöt zou schijnen te geven een „unfair" voordeel aan polishouders van een buitenl. maatschappij, terwijl onder zulk een beperkt Staatstoezicht het twijfelachtig zou zijn of de polishouder evengoed beschermd zou zijn als bij het stelsel van openbaarheid en vrijheid, dat bestaat ten aanzien van Britsche maatschappijen.

Buitenlandsche maatschappijen hebben in Engeland behalve de £ 20.000.— slechts te deponeeren bij den registrar of companies a. afschrift van de statuten, b. een lijst van de directeuren, c. den naam en het adres van den persoon, aan wien stukken beteekend kunnen worden, en voor ieder jaar overlegging van een balans aan dien registrar.

De Duitsche wet van 1901 bepaalt, dat buitenlandsche maatschappijen kunnen worden toegelaten 1°. als het Geschaftsplan niet in strijd komt met de wettelijke voorschriften (tot het Geschaftsplan behooren de statuten, de algemeene verzekeringsvoorwaarden en de technische grondslagen), 2°. als de maatschappij rechtspersoonlijkheid bezit in het land van herkomst, 3° als zij in het binnenland bezit eene Niederlassung en een vertegenwoordiger (die eene algemeene volmacht heeft). Overigens beslist de rijkskanselier „nach freiem Ermessen". De bedoeling van dit laatste is, dat met de reciprociteit rekening kan worden gehouden. Verder is het premiereservefonds d.i. dus de dekking van de premiereserve, waarop de verzekerden een voorrecht hebben, „nach naherer Bestimmungen „des Aufsichtsamts für Privatversicherung in der Weise sicher zu

x) Zie hierover The Assurance Companies Act 1909, bij J. H Watts 1910 Appendix B. ' '

Sluiten