Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

„stellen, dass nur mit Oenehmigung des letzteren darüber verfügt werden kann" (§ 90). Aanteekening verdient hierbij, dat ook van binnenlandsche verzekeraars de toelating afhankelijk gesteld kan worden „von der Stellung einer angemessenen Sicherheit" „wobei „deren Zweck und die Bedingungen für die Rückgabe festzustellen „sind".

Wat buitenlandsche maatschappijen betreft kan de Reichsrath haar, als zij eenmaal toegelaten zijn, niettemin „nach freiem Ermessen" de uitoefening van het bedrijf verbieden.

Volgens het Oostenrijksche Versicherungsrelativ van 7 Maart 1921 kan van levensverzekeringmaatschappijen eene cautie geëischt worden (§ 17). Van buitenl. maatschappijen vordert men deze steeds ter hoogte van de premiereserve.

De Fransche wet van 17 Maart 1905 kent aan de verzekerden bij binnenlandsche maatschappijen een voorrecht toe op de activa ten bedrage van de wiskundige reserve, de „réserve de garantie" én van de niet uitgedeelde voor verzekerden reeds bestemde winst. Buitenl. maatschappijen moeten de activa tot dekking van de verplichtingen jegens verzekerden, met uitzondering van de onroerende goederen, deponeeren bij de Caisse des dépots et consignations. De verzekerden hebben op die waarden een voorrecht.

Het Belgische wetsontwerp op de uitoefening van het levensverzekeringbedrijf van 1920 eischt van alle maatschappijen, binnenen buitenlandsche, eene cautie onder voorwaarden, die bij alg. maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld. Op de waarden der cautie zal komen te rusten een voorrecht 1° voor boeten en publicatiën ten laste der onderneming, 2°. voor de vorderingen uit verzekeringen.

De Zwitsersche Bundesgesetz über die Kautionen der Versicherungsgesellschaften van 4 Februari 1919 heeft de volgende regeling. Iedere maatschappij heeft eene cautie te stellen tot zekerstelling van 1°. de vorderingen uit verzekeringsovereenkomsten, die in Zwitserland nagekomen moeten worden en 2° de publiekrechtelijke vorderingen van den Bond en van de kantons. De Bondsraad stelt de hoogte der cautie voor iedere maatschappij vast naar de mate van hare „Betriebsverhaltnisse". Bij buitenlandsche levensverzek.maatschappijen zal de cautie echter moeten bedragen de dekking van den Zwitserschen Versicherungsbestand en „einen angemessenen Zuschuss". De cautie moet voor % bestaan in Zwitsersche waarden. Overigens beslist de Bondsraad in welke waarden gedeponeerd moet worden en hoe de waardeering daarvan moet geschieden volgens regelen, bij verordening vast te stellen.

De Italiaansche decreet-wet van 29 April 1923 maakt het werken van buitenlandsche maatschappijen daar te lande vrij bezwarend. De autorisatie om in Italië te werken wordt door den Minister slechts verleend, als bewezen wordt 1 ° dat het aandeelenkapitaal bedraagt

Sluiten