Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43

Artikel z.

„zulks niet noodwendig. Herinnerd zij bv. aan verschillende gemeentebedrijven. Overigens verdient eene definitie van bedrijf „geen aanbeveling. De praktijk zal hier niet op onoplosbare puzzles „stuiten; abstracte omschrijving zou allicht in de praktijk ondeugdelijk blijken. Wel is het wenschelijk, dat in twijfelgevallen eene „beslissing kan worden gevraagd door belanghebbenden. Het „nieuwe artikel voorziet hierin. Nu de wet duidelijk zegt, dat een „bedrijf om onder de wet te vallen niet commercieel behoeft te „zijn, is er geen reden overal in de wet naast „onderneming" te „spreken van „instelling". Taalkundig heeft ook „onderneming" „een algemeenen zin" (M. v. A., art. 2). Bij hare Nota naar aanleiding van het Verslag werd door de Regeering dienaangaande nog geschreven: „Ook kan bijv. een onderling begrafenisfonds zoodanig „karakter hebben, dat niet kan worden gesproken van bedrijf (bijv. „als eenige familieleden elkaar over en weer verzekeren); alsdan is „de wettelijke regeling niet toepasselijk. Voor twijfelgevallen geeft „art. 10 eene voorziening."

De bovengenoemde invoeging en uitlatingen der Regeering zijn zeer belangrijk, omdat daardoor vast is komen te staan niet alleen, dat de wet zich ook uitstrekt over onderlinge maatschappijen, hetgeen ook overigens reeds uit de wet blijkt, maar ook dat het werkingsgebied der wet zeer ruim is en mede omvat alle grootere en kleinere begrafenisfondsen (die uitsluitend ten doel hebben het doen van overlijdensuitkeeringen) en verder alle grootere en kleinere, al of niet plaatselijke vereenigingen, onderlinge maatschappijen of stichtingen, welke al of niet in combinatie met andere doeleinden tot doel hebben uitkeeringen bij overlijden te doen. Blijft men, zooals de Regeering deed, van bedrijf spreken, nadat men uitdrukkelijk uit het begrip heeft weggenomen het oogmerk om winst te maken terwijl men daarnaast als voorbeeld van de niet-aanwezigheid van een bedrijf noemt het door eenige familieleden elkaar over en weer verzekeren, dan leidt dit, ook in verband met het feit, dat de wet in art. 6, c, nog eens uitdrukkelijk van de toepassing van de wet uitsluit de zgn. werkgeversfondsen, tot de conclusie, dat als uitoefening van het levensverzekeringbedrijf is aan te merken het stelselmatig afsluiten van overeenkomsten van levensverzekering, zooals ook alle bovenbedoelde vereenigingen van vak- en beroepsgenooten, coöperatieve vereenigingen en kleine plaatselijke begrafenisfondsen doen, en daarvan slechts uit te sluiten gevallen, waarin te hooi en te gras eene verzekering wordt gesloten of waarin het aantal deelnemers zoo gering is en ook naar menschelijke schatting zoo gering zal blijven, dat van eene wetenschappelijke berekening van levenskansen geen sprake kan zijn, of waarin om andere, hieronder genoemde redenen aan een levensverzekeringbedrijf niet kan worden gedacht.

Sluiten