Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

Artikel 2.

Moge het waar zijn, dat de wet door de ruime omschrijving de werkzaamheden van de toezicht houdende Verzekeringskamer vooral in de eerste periode, toen het er op aankwam de juridische positie der verschillende fondsen en vereenigingen vast te stellen en mee te wferken om hun een passende organisatie te geven, maar ook later voor het doorloopende toezicht zeer heeft vergroot1), men mag die ruime omschrijving toch een gelukkig feit noemen, omdat het hier gaat om een vrij groot belang (het laatste verslag der Verzekeringskamer, dat over 1925, vermeldt een verzekerd bedrag van ƒ 35.818.479 van de hier bedoelde fondsen), dat zeer zeker op behartiging van staatswege in dezen vorm aanspraak maakt.

Als niet-uitoefening van het levensverzekeringbedrijf heeft de Verzekeringskamer, daarin gesteund door beslissingen van de Kroon, aangemerkt o.m.

a. het door ziekenkassen, die zulke uitkeeringen reeds deden bij het inwerkingtreden der wet en deze daarna niet hebben verhoogd, doen van overlijdensuitkeeringen van niet hooger dan ƒ 50.— (deze uitkeeringen zijn eigenlijk te beschouwen als verlengde ziekteuitkeeringen);

b. het door vakvereenigingen, die eveneens dergelijke uitkeeringen reeds deden bij het inwerkingtreden der wet en deze daarna niet hebben verhoogd, doen van genoemde uitkeeringen van niet hooger dan ƒ 100.— (de uitgaven hiervoor maakten meestal zulk een gering onderdeel van de totale uitgaven voor werkeloosheidsuitkeeringen, steun aan stakers, propaganda uit, terwijl het karakter der vereenigingen meebracht, dat men desnoods de eerstbedoelde uitkeeringen geheel voor de laatstbedoelde wilde in den steek laten, dat aan eigenlijk levensverzekeringbedrijf niet kon worden gedacht).

Het spreekt van zelf, dat de getrokken grenslijn eenigszins willekeurig is.

In één geval heeft de Verzekeringskamer beslist, dat, bij het uiterst geringe getal van deelhebbers in een predikantenpensioenfonds, geen bedrijf aanwezig is. Verder besliste zij, dat Israëlitische vereenigingen, die uitkeeringen doen aan hare leden voor treurdagen (gewoonlijk een 7-tal) bij overlijden van familieleden in den lsten en 2den graad, het levensverzekeringbedrijf niet uitoefenen.

') De Zwitsersche wet van 1885 had juist uit vrees, dat moeilijkheden zouden worden ondervonden bij de organisatie van den tak van dienst, die het door de wet in het leven geroepen Staatstoezicht zou hebben uit te oefenen, indien dit toezicht zich ook over al de kleine ondernemingen moest uitstrekken, van hare toepassing uitgezonderd „Vereine mit örtlich beschranktem Geschafts„betrieb, wie Krankenkasse, Sterbevereine u. s. w." Het Regeeringsontwerp van 1911—1912 liet ondernemingen, die zich beperkten tot het sluiten van levensverzekeringen tot bedragen beneden de ƒ200.—, buiten het toezicht.

Sluiten