Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

Artikel 9.

ongevallenverzekeringen) „verscheidene leden hadden ook tegen „dit verbod op zich zelf bezwaar. Zij waren van oordeel, dat dit „verbod onnoodig de vrijheid van bedrijf beperkt, of dwingt tot „omslachtige en kostbare scheiding van bedrijven. Verschillende „levensverzekeringmaatschappijen oefenen op min of meer ruime „schaal het landbouwbedrijf, het ontginningsbedrijf, het hypo„theekbankbedrijf of het spaarbankbedrijf uit. Waartoe de uitoefe„ning van zulke bedrijven, die aan maatschappij en verzekerden ten „goede komen, te verbieden? Buitendien kan dit verbod tot tal van „moeilijkheden in de toepassing aanleiding geven. Een groot deel „van de geldbelegging van den levensverzekeraar zou als uitoefening van nevenbedrijven kunnen worden bestempeld. Zal het geven „van voorschotten onder verband van levensverzekeringpolissen, „dat soms in het groot door levensverzekeringmaatschappijen geschiedt, als een bedrijf worden beschouwd? En wanneer zal het „geven van gelden op hypotheek het karakter van een bedrijf „kunnen aannemen? Men wees er voorts op, dat het verbod op gemakkelijke wijze kan worden ontgaan, door een bepaald bedrijf „niet rechtstreeks zelf uit te oefenen, doch de aandeelen aan te „koopen van een naamlooze vennootschap, welke zich met dat „bedrijf bezighoudt.

„Andere leden konden zich met deze beschouwingen niet ver„eenigen.

„ Ook het verbod van combinatie van het levensverzekering-

„bedrijf met andere bedrijven werd door deze leden verdedigd. Zoodanige combinatie levert ongetwijfeld voor de soliditeit van het „levensverzekeringbedrijf gevaren op. Dat het verbod tot een omslachtige en kostbare scheiding van bedrijven en van hare administratie noopt, werd niet juist geacht. Slechts in zeer kleine, niet „op commercieelen voet geschoeide verzekeringen kan dat bezwaar „gegrond zijn, maar zulke verzekeringen behoorden dan ook niet „onder de voor het levensverzekeringbedrijf in het algemeen geldende bepalingen te vallen. Ook de meening, dat dit verbod zou „worden ontgaan door aankoop van aandeelen in een naamlooze „vennootschap, werd door deze leden met nadruk weersproken. „Het groote verschil in positie tusschen den aandeelhouder en den „schuldenaar is immers, dat de eerste slechts tot het beloop van het „aandeel voor schulden aansprakelijk is. In aankoop van aandeelen door een levensverzekeringmaatschappij ligt dan ook niets „ongeoorloofds. Wel bestaat de mogelijkheid, dat de Verzekeringskamer critiek zal doen hooren op het beleggen van gelden eener „levensverzekeringmaatschappij in aandeelen van een haar niet voldoende soliede voorkomende voorschotonderneming, die wellicht „voorschot verschaft op nog geen waarde vertegenwoordigende „polissen. Maar in zulke, in het belang der verzekerden zeer wen*-

Sluiten