Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

Artikel 9—10.

„schelijke, critiek mocht allerminst een onnoodige inperking van de „bedrijfsvrijheid gezien worden." In de M. v. A. (§ 6) werd o.a. het volgende gezegd: „De vraag, wanneer de uitoefening van een ander bedrijf aan„wezig is, is niet steeds gemakkelijk op te lossen. Doch de praktijk „zal hier niet op onoverkomelijke moeilijkheden stuiten. Het geven „van gelden op hypotheek bijv. is op zich zelf niet de uitoefening „van het hypotheekbedrijf. Ook een particulier, die een deel van zijn „vermogen in hypotheken belegt, oefent niet het hypotheekbedrijf „uit. Omdat er wel eens een twijfelgeval is, behoeft men een verbod „nog niet op zijde te zetten. Al is het bijv. wel eens twijfelachtig, of „iets een handelszaak is, welke in het handelsregister moet worden „ingeschreven, niettemin bestaat de wet op het handelsregister. „Wel is het wenschelijk, dat in een twijfelgeval eene beslissing van „hooger hand kan worden uitgelokt. Daartoe opent het nieuwe „artikel 10, waarover hier onder meer, de gelegenheid. „Ingeval „„van twijfel" is ontleend aan artikel 8, laatste lid, der wet op de „Rechterlijke Organisatie. Ook daar een wettelijke regel, terwijl de „wetgever zelf voorziet dat er twijfelgevallen zijn."

„Door andere leden is er reeds op gewezen, dat er een graad van „verschil bestaat tusschen het zelf uitoefenen van een ander bedrijf „en het hebben van aandeelen in eene maatschappij, welke een „ander bedrijf uitoefent. De ondergeteekenden behoeven daaraan „niets toe te voegen."

Artikel 10.

In geval van twijfel of eene handeling dan wel een samenstel van handelingen uitoefening van het levensverzekeringbedrijf vormt, alsmede in geval van twijfel of eene handeling dan wel een samenstel van handelingen uitoefening van een ander bedrijf dan het levensverzekeringbedrijf vormt, beslist de Verzekeringskamer, behoudens beroep op Ons.

Dit artikel is bij de M. v. A. ingelascht, nadat bij het V. V. op moeilijkheden bij de toepassing van het beginsel van verbod van combinatie van bedrijven was gewezen. De bewoordingen zijn blijkens de M. v. A. ontleend aan art. 8, laatste lid, der wet op de Rechterlijke Organisatie. „De bedoeling is, dat bij uitvoeringsmaat„regel zal worden bepaald, op welke wijze een beslissing van „hooger hand kan worden uitgelokt". (M. v. A. op art. 10.) Zulk eene uitwerking bij uitvoeringsmaatregel heeft echter nog niet plaats gehad. Zoolang dit nog niet is geschied, moet aangenomen worden, dat geen termijn voor het bedoelde beroep bestaat en dat dit nog te allen tijd tegen eene beslissing der Verzekeringskamer als bedoeld kan worden ingesteld: Het beroep geschiedt door inzending

Sluiten