Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

Artikel 10—11.

van een verzoekschrift aan de Koningin, waarin op bepaalde gronden wordt verzocht de aangevallen beslissing der Verzekeringskamer te vernietigen en de gewenschte beslissing te geven. Indien eene maatschappij beroep wil instellen, is het gewenscht, dat zij eene afzonderlijke beslissing van de V. K. uitlokt, opdat de V. K. zulk eene beslissing van een behoorlijke motiveering doe vergezeld gaan. Gaat eene maatschappij in beroep na een gewone mededeeling van de V. K., dat zij het l.v. bedrijf of een nevenbedrijf uitoefent, dan bestaat het gevaar, dat de Regeering voor hare beslissing in appèl niet over de noodige gegevens beschikt.

Is de strafrechter gebonden aan eene beslissing van de Kroon als hier bedoeld? Men moet dit wel aannemen, omdat juist de bedoeling van het voorschrift is om in twijfelachtige gevallen zekerheid te geven en die zekerheid weer niet zou bestaan als b.v. de strafrechter in strijd met de door het administratief gezag genomen beslissingen op zijn beurt weer zou kunnen beslissen, dat in een bepaald geval wel aanwezig was uitoefening van het l.v. bedrijf of van een nevenbedrijf. Overigens spreekt het van zelf, dat eene beslissing van de Kroon als hier bedoeld slechts betrekking heeft op een op een bepaald tijdstip bestaanden feitelijken toestand. Indien inmiddels de feitelijke constellatie is veranderd of zelfs indien andere omstandigheden zijn ingetreden, zou het kunnen zijn, dat de strafrechter zou moeten oordeelen, dat de zaak, die hij te beoordeelen heeft, niet meer dezelfde is als door de Kroon is beslist, tengevolge waarvan hij, strafrechter, daaraan ook niet meer gebonden zou zijn.

Artikel 11.

Als onderlinge maatschappijen worden voor de toepassing van deze wet beschouwd binnen het Rijk In Europa gevestigde vereenigingen van personen, welke ten doel hebben de uitoefening van het levensverzekeringbedrijf en waarbij zonder het sluiten van eene overeenkomst van levensverzekering toetreding tot het lidmaatschap is uitgesloten.

Bij hare oprichting worden de bepalingen der artikelen 12, 13 en 14 in acht genomen.

Bij het inwerkingtreden der wet werd het levensverzekeringbedrijf in den ruimen zin, waarin die wet dat begrip bepaalt, uitgeoefend door een groot aantal fondsen, bussen, beurzen of andere lichamen onder welken naam ook, af of niet onderlinge waarborg of onderlinge maatschappij genoemd, die niet het karakter droegen van naamlooze vennootschappen, maatschappijen op aandeelen, vereenigingen van de wet van 1855, coöperatieve vereenigingen of stichtingen en die ook niet gezegd konden worden eigendom te zijn van een enkelen natuurlijken persoon. Eene uitnemende beschrij-

Sluiten